Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
De differentiële diagnostiek van encopresis is gericht op het uitsluiten van de aanwezigheid van middelen of somatische aandoeningen die fecesincontinentie kunnen veroorzaken, zoals de ziekte van Hirschsprung, inflammatoire darmstoornissen, een aantal gastro-intestinale problemen, neurologische stoornissen, ruggenmergletsels die de sensibiliteit van of de controle over de darmen beperken, misbruik of overmatig gebruik van laxeermiddelen, en metabole aandoeningen. Blootstelling aan medicijnen kan bijdragen aan encopresis, meestal door toegenomen obstipatie. Als zodanig kunnen veel medicijnen iemands encopresis verergeren.
Kinderen met encopresis kunnen ook meer somatische en gedragsproblemen vertonen dan kinderen zonder de stoornis. De comorbiditeit van encopresis met specifieke leerstoornissen, angststoornissen, depressieve-stemmingsstoornissen, de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) en psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen is hoog. Ook kinderen die in behandeling zijn voor andere somatische aandoeningen, vooral in ziekenhuizen, zouden moeten worden onderzocht op encopresis.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.