Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
De heer Groene brengt zijn 68-jarige vrouw naar de kliniek voor een diagnostisch onderzoek. Ze heeft last van fluctuerende symptomen, hallucinaties en kenmerken van parkinsonisme. De onderzoeker stelt de heer Groene de volgende vragen over de fluctuerende symptomen van zijn vrouw: ‘Merkt u dat uw vrouw soms vergeetachtig of verward is, niet weet waar ze is, of een eenvoudige taak, waar ze geen moeite mee zou moeten hebben, niet kan uitvoeren?’ Een voorbeeld van dat laatste is als iemand tijdelijk niet in staat is om zonder hulp van een ander zijn of haar tanden te poetsen. Hoewel een NCS met lewylichaampjes met behulp van gestructureerde instrumenten op een sensitieve wijze kan worden vastgesteld (bijvoorbeeld Ferman et al. 2004; Walker et al. 2000), krijgen clinici die deze instrumenten gebruiken vaak niet-overeenkomstige uitkomsten als ze weinig klinische ervaring hebben met patiënten met een NCS met lewylichaampjes. De onderzoeker vraagt: ‘Is uw vrouw suf overdag, of doet ze dutjes langer dan twee uur?’ Kenmerken die een NCS met lewylichaampjes onderscheiden van een NCS door de ziekte van Alzheimer zijn slaperigheid overdag, langer dan twee uur slapen overdag, langdurig in het niets staren, en een gedesorganiseerde ideeënstroom. De onderzoeker vraagt: ‘Zijn er momenten waarop zij chaotisch lijkt, onduidelijk spreekt of onlogische dingen zegt?’ Om haar hallucinaties te beoordelen vraagt de clinicus aan mevrouw Groene zelf: ‘Ziet of hoort u weleens mensen of dingen, terwijl anderen u vertellen dat die er niet zijn? Hoe zien die mensen of dingen eruit?’ Hallucinaties zijn meestal visueel en gedetailleerd, en gaan vaak over mensen (minder vaak over dieren); er komen echter ook auditieve hallucinaties of hallucinaties met voorwerpen voor. De onderzoeker vraagt aan mevrouw Groene: ‘Maakt het zien van deze dingen u van streek?’ Het is belangrijk om na te gaan of er sprake is van met de hallucinaties samenhangende lijdensdruk en/of wanen. Bijvoorbeeld kan het syndroom van Capgras optreden, de waan dat een bekend persoon is vervangen door een dubbelganger. De clinicus kan hiernaar informeren door aan de echtgenoot van mevrouw Groene te vragen: ‘Heeft uw vrouw u ooit behandeld alsof u iemand anders was, en niet haar man?’ Hoe een verzorger reageert, kan belangrijk zijn voor de behandeling, en deze informatie kan worden achterhaald door de vraag: ‘Wat doet u als ze zich op deze manier gedraagt?’ De onderzoeker beoordeelt of bepaalde voorwerpen mogelijk een belangrijke trigger zijn voor mevrouw Groene door aan haar te vragen: ‘Zijn er bepaalde plekken in uw huis waar u deze mensen vaak ziet?’
De patiënte wordt onderzocht op kenmerken van parkinsonisme door haar te vragen: ‘Bent u recent gevallen of heeft u moeite met bewegen?’ Bij neurologisch onderzoek blijkt dat mensen met een NCS met lewylichaampjes traag zijn (bradykinesie), stijf zijn (rigiditeit) en op een ongebruikelijke manier lopen (gangstoornis). Hoewel tremoren minder vaak lijken voor te komen en minder ernstig zijn bij een NCS met lewylichaampjes dan bij een NCS door de ziekte van Parkinson, bestaan er geen motorische symptomen die beide stoornissen op betrouwbare wijze van elkaar onderscheiden. Aangezien verschillende aspecten kunnen bijdragen aan valpartijen bij mensen met een NCS met lewylichaampjes (bijvoorbeeld autonome disfunctie of instabiel lopen), zijn valincidenten een vroeg symptoom en een risicofactor voor latere beperkingen. De onderzoeker vraagt dus of de patiënt herhaaldelijk is gevallen. Het is belangrijk om vast te stellen wanneer de symptomen begonnen zijn en om de motorische symptomen in de loop der tijd te blijven monitoren.
Suggestieve diagnostische kenmerken zijn onder meer een remslaapgedragsstoornis en een ernstige overgevoeligheid voor neuroleptica. Een remslaapgedragsstoornis kan worden vastgesteld door aan de heer Groene te vragen: ‘Ligt uw vrouw tijdens het slapen stil of gedraagt ze zich alsof ze handelt naar een droom, bijvoorbeeld door te praten, te schreeuwen of met kracht te bewegen?’ Dit symptoom kan het best in een slaapkliniek worden beoordeeld. Het is van belang om deze stoornis vast te stellen omdat die gemakkelijk te behandelen is. Of mevrouw overgevoelig is voor neuroleptica kan worden beoordeeld door aan de heer Groene te vragen: ‘Heeft uw vrouw ooit medicijnen genomen die haar vermogen om te bewegen of haar denkvermogen duidelijk hebben aangetast? Om welke medicatie ging het?’ Patiënten met een NCS met lewylichaampjes zijn extreem overgevoelig voor anticholinerge en antidopaminerge medicatie, waaronder neuroleptica.
In deze casus wordt een voorbeeld gegeven van een eerste onderzoek; de beoordeling op een NCS met lewylichaampjes dient echter multidisciplinair te zijn. Op zijn minst dienen algemeen lichamelijk, neurologisch en neuropsychologische onderzoek uitgevoerd te worden om respectievelijk de autonome, motorische, en cognitieve symptomen te detecteren. Een slaaponderzoek is raadzaam als er symptomen zijn die overeenkomen met die van een remslaapgedragsstoornis. Tenzij anders vermeld, worden de vragen gericht aan de mantelzorger, vooral wat betreft symptomen waarvan de patiënt waarschijnlijk niet op de hoogte is (bijvoorbeeld slaapgerelateerd gedrag). Voor de duidelijkheid worden de symptoomgebieden van elkaar gescheiden, maar om een NCS met lewylichaampjes te kunnen differentiëren van een NCS door de ziekte van Parkinson is het van belang om globaal vast te stellen wanneer elk symptoom is begonnen.