Depressieve stoornis
Abraham M. Nussbaum
Ruth, een 56-jarige leerkracht zonder psychiatrische voorgeschiedenis, meldt dat zij al drie weken thuis steeds de stem van haar overleden man hoort, die haar zegt dat hij haar mist. Ze is er oncorrigeerbaar van overtuigd dat deze stem echt is en dat haar man dus ergens in huis aanwezig moet zijn. Haar man is tijdens het bruiloftsfeest van één van hun drie kinderen aan een hartinfarct overleden. Ruth had een hechte band met hem en ze hadden ernaar uitgekeken om later dat jaar hun dertigjarig huwelijksfeest te vieren. Haar man had een verhoogd cholesterol en hypertensie, maar Ruth werd desondanks door zijn dood verrast en piekert erover dat zij ‘het had moeten zien aankomen zodat ze hem had kunnen redden’. Vooral ’s nachts voelt zij zich schuldig over zijn dood en kan dan maar een paar uur slapen. Zij ontkent dat ze suïcidegedachten heeft, maar vraagt zich geregeld af of haar leven nog wel de moeite waard is. Haar stemming omschrijft ze als somber, ze zegt weinig energie te hebben en ziet er vermoeid uit. Ze geeft toe dat haar eetlust is afgenomen en haalt in reactie op de vraag of ze is afgevallen haar schouders op. Ze vertelt dat zij haar kinderen geholpen heeft bij hun rouw en vorige week gewoon weer is gaan werken, maar dat ze nergens interesse in heeft. Ruth ontkent ooit depressieve, hypomanische of manische episoden te hebben doorgemaakt en gebruikt alleen alcohol tijdens sociale gelegenheden.
Er zijn relatief weinig verschillen tussen de hoofdcriteria voor de depressieve stoornis van de DSM-IV (en de DSM-IV-TR) en de DSM-5. Een depressieve episode wordt nog steeds gekenmerkt door de aanwezigheid van vijf of meer van de volgende symptomen binnen dezelfde periode van twee weken: een sombere stemming, anhedonie, significant gewichtsverlies of een gewichtstoename, insomnia of hypersomnia, psychomotorische agitatie of vertraging, vermoeidheid of verlies van energie, gevoelens van waardeloosheid of buitensporige schuldgevoelens, verminderde concentratie en recidiverende gedachten aan de dood of recidiverende suïcidegedachten. Zowel in de DSM-5 als in de DSM-IV dient er tijdens een episode in ieder geval sprake te zijn van een sombere stemming of van anhedonie. Daarnaast moet deze een significante lijdensdruk veroorzaken en mag de oorzaak niet gelegen zijn in het gebruik van een middel of een somatische aandoening.
Maar wat is dan het verschil? De anamnese van Ruth laat twee belangrijke verschillen zien. Ten eerste brengt Ruth haar depressie duidelijk in verband met het overlijden van haar man. Volgens de DSM-IV zou haar ziektebeeld waarschijnlijk niet volledig voldoen aan de criteria voor een depressieve episode, aangezien deze als rouw kan worden opgevat, wat op zichzelf gezien een cultureel geconditioneerde aandoening is. Deze exclusie is in de DSM-5 niet meer opgenomen, zodat de uiting van Ruth nu wel volledig voldoet aan de criteria voor een depressieve stoornis, eenmalige episode. Ten tweede zijn in de DSM-5 de specificaties voor haar classificatie anders. Een depressieve episode kan worden gespecificeerd als ‘met psychotische kenmerken’, maar hoeft nu niet per se ernstig te zijn. In de DSM-IV hield de aanwezigheid van psychosesymptomen per definitie in dat de episode ernstig was. Aangezien Ruth nog aan het werk is en aandacht besteedt aan haar gezin, zou de ernst van haar episode volgens de DSM-5 als ‘matig’ worden geclassificeerd, eventueel ook ‘met psychotische kenmerken’, omdat ze oncorrigeerbaar overtuigd is steeds de stem van haar overleden man te horen.