Schizofrenie
Abraham M. Nussbaum
Woo-jin is een 33-jarige masterstudent bestuurskunde die zich negen maanden geleden heeft ingeschreven aan de plaatselijke universiteit. Tijdens het eerste semester was hij nogal op zichzelf. Hij haalde middelmatige cijfers en heeft om die reden in het tweede semester extra begeleiding aangeboden gekregen. Woo-jin gaat maar af en toe naar deze bijlessen, komt vaak te laat en ziet er onverzorgd uit. Hij is niet erg spraakzaam; als hij al iets zegt gaat het meestal over hoe zijn medestudenten tegen hem samenspannen. Wanneer u hem met hulp van een tolk onderzoekt en vraagt waar hij deze complottheorie op baseert, zinspeelt hij op informatie die hij uit studiematerialen heeft gehaald en via een podcast heeft gehoord. Hij laat u op zijn smartphone een pagina zien van een sociaalnetwerksite en terwijl hij erover praat, raakt hij overstuur. U kunt zelf op die pagina echter niet meer dan uitnodigingen voor colleges en berichten van medestudenten ontdekken. Naarmate hij meer over zijn zorgen vertelt, kunt u hem steeds moeilijker volgen, omdat hij zonder overgang van het ene op het andere onderwerp springt. Op uw vraag hoe het met zijn studieresultaten gaat, beaamt hij dat zijn cijfers dit semester achteruit zijn gegaan, maar hij wijt dit aan de overheid. Als u vraagt of de situatie zo slecht is geworden dat hij weer naar zijn geboorteland terug wil, haalt hij zijn schouders op en zegt dat de regering van zijn eigen land ook tegen hem samenzweert. Hij schudt zijn hoofd als u vraagt of hij depressief is, maar vertoont een vlak affect en schijnt vaak in een interne conversatie verwikkeld te zijn.
De voornaamste criteria voor schizofrenie, met inbegrip van het duurcriterium, zijn in de DSM-5 identiek aan die in de DSM-IV. Om volledig aan de criteria te voldoen, moet iemand gedurende minstens zes maanden ononderbroken in zijn functioneren zijn belemmerd en gedurende minstens een maand minimaal twee van de volgende symptomen hebben: wanen, hallucinaties, gedesorganiseerd spreken, zeer afwijkend psychomotorisch gedrag en negatieve symptomen. Maar om voor de classificatie in aanmerking te komen, dient bij de stoornis minstens één van de kernsymptomen aanwezig te zijn: wanen, hallucinaties en gedesorganiseerd spreken. Bij het onderzoek van de patiënt moet u zich bedenken dat iemand met een eigenaardige overtuiging niet per se wanen heeft. De DSM-5 is hier helder over: ‘In sommige culturen zijn visuele of auditieve hallucinaties met een religieuze inhoud (...) een normaal onderdeel van de religieuze ervaring’ (American Psychiatric Association, 2014, p. 180). Volgens de DSM-5 moet de onderzoeker diagnostisch zorgvuldig te werk gaan wanneer hij niet dezelfde culturele, religieuze of taalachtergrond heeft als de patiënt, om te voorkomen dat het verschil wordt gepathologiseerd. Het handboek geeft dan zelfs speciaal advies voor het diagnostisch onderzoek. Clinici die moeite hebben eigenaardige denkbeelden van psychotische denkbeelden te onderscheiden, wordt geadviseerd om te beoordelen of de schijnbaar eigenaardige denkbeelden in de realiteit zijn geworteld, aan een externe stimulus zijn verbonden, coherent en doelgericht zijn, en of hierover met passend affectief, motorisch en verbaal gedrag wordt gesproken. Als een denkbeeld aan al deze criteria voldoet, is een psychotisch denkbeeld minder waarschijnlijk. Als u desondanks nog steeds moeilijk kunt vaststellen of er sprake is van een waan, kunt u overwegen om het Cultural Formulation Interview te gebruiken. Dit komt in hoofdstuk 10 aan bod. De DSM-5 besteedt hiermee opnieuw aandacht aan culturele diversiteit en wil onderscheid maken tussen een overtuiging die normaal maar onbekend is en een overtuiging die overduidelijk psychotisch is.
Naast het voorgaande zijn in de DSM-5 diverse bekende subclassificaties verwijderd. Volgens de DSM-IV zou aan iemand met de uiting van Woo-jin de classificatie schizofrenie, paranoïde type toegekend zijn. In de DSM-5 zijn de typeringen van schizofrenie afgeschaft. Volgens onderzoek is schizofrenie wel degelijk een heterogene stoornis, maar in de DSM-IV leek er op basis van de symptomen een zeker onderscheid in subtypen te bestaan dat echter niet wordt gestaafd door de klinische praktijk. Iemand met schizofrenie kan nog steeds een classificatie toegekend krijgen met een bepaald beloop (eerste of multipele episoden, geheel of gedeeltelijk in remissie, onafgebroken of acute episode), waarbij kan worden genoteerd of er sprake is van prominent aanwezige negatieve symptomen of katatonie. Het is in de DSM-5 echter niet meer nodig onderscheid te maken tussen het paranoïde en het gedesorganiseerde type. Ten slotte: bij iemand met schizofrenie kunnen dankzij het dimensionale systeem bijkomende cognitieve stoornissen, depressie en manie worden herkend, met behulp van de Dimensionale beoordeling van de ernst van psychosesymptomen. Deze is in hoofdstuk 10 opgenomen.