Het gebruik van tabak wordt in verschillende culturele contexten meer of minder geaccepteerd. De leef­tijds­ge­stan­daar­di­seer­de prevalentie van het dagelijks roken van tabak varieert sterk per regio, van 4,7% in West-Afrika ten zuiden van de Sahara tot 24,2% in Oost-Europa. Het is onduidelijk in welke mate deze geografische verschillen het gevolg zijn van inkomen, onderwijs en ont­moe­di­gings­ac­ti­vi­tei­ten van overheden. De prevalentie van tabaksgebruik in de Verenigde Staten varieert met de leeftijd, het geslacht en de etnische achtergrond. Onder Afro-Amerikaanse jongeren is het aantal beginnende rokers en het aantal rokers dat overgaat tot dagelijks roken lager, vooral onder jonge vrouwen. Vanwege verschillen in polymorfismen van leverenzymen tussen etnische groepen, kan het ni­co­ti­ne­me­ta­bo­lis­me verschillen, wat bijdraagt aan de variatie in rookgedrag. Verder hangt een hogere prevalentie van de stoornis in het gebruik van tabak samen met blootstelling aan racisme en etnische discriminatie. De prevalentie van ni­co­ti­ne­ver­sla­ving volgens de DSM-IV is hoger onder volwassen lesbiennes, homoseksuelen en biseksuelen dan onder heteroseksuelen, mogelijk ook door een verband met blootstelling aan discriminatie op grond van seksuele geaardheid. Bij mensen met een ni­co­ti­ne­ver­sla­ving volgens de DSM-IV is er een verband tussen een lager inkomen en een lagere opleiding en het persisteren van de stoornis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.