Een stoornis in het gebruik van tabak kan zich ontwikkelen bij het gebruik van alle vormen van tabak (zoals sigaretten, pruimtabak, snuiftabak, pijpen, sigaren, elektronische nicotinetoedieningsmiddelen zoals elektronische sigaretten) en met op recept verkrijgbare nicotinehoudende medicatie (nicotinekauwgom en -pleisters). Het relatieve vermogen van deze producten om een stoornis in het gebruik van tabak of een onttrekkingssyndroom uit te lokken, hangt samen met de snelheid van de toedieningswijze (roken boven oraal boven transdermaal) en het nicotinegehalte van het product. De naam van deze middelencategorie is veranderd van ‘nicotine’ in de vorige edities van de DSM in ‘tabak’ in de DSM-5, omdat de verslavingsschade vooral samenhangt met tabak en veel minder met nicotine.
De stoornis in het gebruik van tabak komt veel voor onder mensen die dagelijks sigaretten roken en tabak in andere vormen gebruiken, en in mindere mate bij mensen die elektronische sigaretten gebruiken. De stoornis komt niet veel voor onder mensen die niet dagelijks tabak dan wel nicotinehoudende medicatie gebruiken. Tolerantie voor tabak is bijvoorbeeld het geval bij het uitblijven van de misselijkheid en duizeligheid die optreden bij inname en bij het intensievere effect dat tabak ’s morgens bij het eerste gebruik van de dag heeft. Stoppen met tabaksgebruik kan leiden tot een karakteristiek onttrekkingssyndroom. Veel mensen met een stoornis in het gebruik van tabak gebruiken het middel ter verlichting of vermijding van de onttrekkingssymptomen (bijvoorbeeld nadat ze ergens zijn geweest waar niet gerookt mocht worden). Veel mensen met een stoornis in het gebruik van tabak hebben tabakgerelateerde lichamelijke symptomen of ziekten en blijven toch roken. Het merendeel meldt hunkering te ervaren als ze enkele uren niet roken. Dat er veel tijd verloren gaat aan het gebruik van tabak is bijvoorbeeld het geval bij kettingroken (de ene sigaret na de andere roken zonder dat er tijd tussen zit). Aangezien tabak gemakkelijk en legaal verkrijgbaar is en intoxicatie door tabak zeer zeldzaam is, komt het niet vaak voor dat iemand veel tijd moet spenderen aan het verkrijgen van tabak of het herstellen van de effecten ervan. Aan het vereiste dat sociale, beroepsmatige of vrijetijdsactiviteiten zijn opgegeven wordt voldaan als iemand activiteiten afzegt die in een rookvrije omgeving plaatsvinden. Tabaksgebruik leidt maar zelden tot een onvermogen om de belangrijkste rolverplichtingen te vervullen (zoals verantwoordelijkheden op het werk of in het gezin), maar er is wel een zekere prevalentie van aanhoudende sociale of interpersoonlijke problemen (bijvoorbeeld ruzies met anderen over het gebruik van tabak, sociale situaties uit de weg gaan vanwege de afkeuring door anderen van het gebruik van tabak) of van gebruik van tabak dat fysiek gevaar oplevert (bijvoorbeeld roken in bed of in de buurt van licht ontvlambare stoffen). Hoewel een gebruiker van tabak deze criteria minder makkelijk toegeeft kunnen ze, indien toegegeven, duiden op een ernstigere stoornis.