Het hoofdkenmerk van intoxicatie door alcohol is de aanwezigheid van een klinisch significante en soms levensbedreigende mate van problematische psychische en gedragsveranderingen (zoals ongepast seksueel of agressief gedrag, stemmingslabiliteit, verminderd oordeelsvermogen en besluitvermogen, problemen met complexe taken zoals autorijden, en beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren), ontstaan tijdens of kort na het gebruik van alcohol (criterium B). Als de intoxicatie ernstig is kan een levensbedreigend coma ontstaan. De symptomen mogen niet toe te schrijven zijn aan een somatische aandoening (bijvoorbeeld diabetische ketoacidose), zijn geen weerspiegeling van bijvoorbeeld een delirium, en komen niet door een intoxicatie door een ander dempend middel (bijvoorbeeld een benzodiazepine) (criterium D). Het coördinatieverlies is van dien aard dat autorijden en het uitvoeren van gebruikelijke activiteiten er zodanig onder lijden dat er verkeersongevallen of andere letselveroorzakende voorvallen door kunnen gebeuren. Het gebruik van alcohol blijkt uit een naar alcohol ruikende adem, een anamnese van de betrokkene of een andere getuige en, indien nodig, afname van adem-, bloed- of urinemonsters voor toxicologisch onderzoek.