De meeste mensen die vroeger de classificatie hypochondrie volgens de DSM-IV zouden hebben gekregen (een preoccupatie met het hebben van een ernstige ziekte op basis van een verkeerde interpretatie van lichamelijke symptomen), krijgen nu de classificatie somatisch-symptoomstoornis; maar in een derde van die gevallen gaat het om een ziekteangststoornis. De ziekteangststoornis houdt een preoccupatie in met het hebben of krijgen van een ernstige niet-gediagnosticeerde somatische aandoening (criterium A). Lichamelijke klachten zijn niet aanwezig, of, als dit wel het geval is, hebben slechts een lichte intensiteit (criterium B). Grondig onderzoek kan een ernstige somatische aandoening die de bezorgdheid van de betrokkene verklaart, niet aantonen. De bezorgdheid kan gebaseerd zijn op niet-pathologische lichamelijke verschijnselen of sensaties, en de betrokkene lijdt niet in eerste instantie onder de lichamelijke klacht op zichzelf, maar onder zijn of haar angst over de betekenis of de oorzaak van die lichamelijke klacht (de diagnose die wordt vermoed). Als er een lichamelijk(e) klacht of verschijnsel aanwezig is, is dit vaak een normale fysiologische sensatie (orthostatische duizeligheid bijvoorbeeld), een onschuldige disfunctie die vanzelf overgaat (zoals voorbijgaande tinnitus) of een lichamelijk ongemak dat over het algemeen niet wordt beschouwd als een aanwijzing voor een ziekte (zoals boeren). Als er wel een diagnosticeerbare somatische aandoening aanwezig is, zijn de angst en de preoccupatie van de betrokkene duidelijk overmatig groot en staan deze niet in verhouding tot de ernst van de aandoening (criterium B). De meeste empirische onderzoeksbevindingen en de bestaande literatuur hebben betrekking op het voorheen in de DSM beschreven begrip ‘hypochondrie’ en op angst over de gezondheid. Het is onduidelijk in welke mate deze ook gelden voor deze nieuwe classificatie en hoe dan precies.
De preoccupatie met het idee ziek te zijn gaat gepaard met een aanzienlijke angst over gezondheid en ziekte (criterium C). Mensen met een ziekteangststoornis raken snel verontrust door ziekte, bijvoorbeeld als ze horen dat iemand anders ziek is geworden of als ze in de krant een verhaal lezen dat met gezondheid te maken heeft. Hun zorgen over een ongediagnosticeerde ziekte nemen niet af door een op zichzelf terechte geruststelling door een arts, diagnostische tests met een negatieve uitslag of een onschuldig beloop. De pogingen van de arts om de patiënt gerust te stellen en zijn of haar klachten te verzachten, maken de bezorgdheid van de betrokkene meestal niet kleiner, en kunnen deze zelfs vergroten. Bezorgdheid over ziekte neemt een prominente plaats in het leven van de betrokkene in, en kan zelfs leiden tot arbeidsongeschiktheid. Ziekte wordt een centraal kenmerk van de identiteit en het zelfbeeld van de betrokkene, een frequent onderwerp in sociale contacten en een kenmerkende reactie op ingrijpende levensgebeurtenissen. Mensen met deze stoornis onderwerpen zichzelf geregeld aan onderzoek (bijvoorbeeld door hun keel te onderzoeken voor de spiegel) (criterium D). Ze verdiepen zich overmatig in de ziekte die ze bij zichzelf vermoeden (door op internet te zoeken bijvoorbeeld) en gaan geregeld op zoek naar geruststelling van de kant van familie, vrienden of artsen. Ze maken zich onophoudelijk zorgen, en dit wordt voor anderen vaak frustrerend en kan flinke spanningen in het gezin veroorzaken. Soms leidt de angst tot maladaptieve vermijding van situaties (zoals het bezoeken van zieke familieleden) of activiteiten (zoals lichaamsbeweging) waarvan deze mensen vrezen dat die hun gezondheid in gevaar zouden kunnen brengen.