De taalverwerving wordt gekenmerkt door veranderingen vanaf het begin in de peutertijd tot het volwassen vaardigheidsniveau dat men in de adolescentie ontwikkelt. De veranderingen doen zich voor in alle aspecten van taal (klanken, woorden, grammatica, verhalende of verklarende teksten en gespreksvaardigheden), in met de leeftijd samenhangende periodieke en synchrone stappen. De taalstoornis begint gedurende de vroege ontwikkelingsperiode, maar er bestaat een aanzienlijke variatie in het verwerven van de eerste woordjes en woordcombinaties. Individuele verschillen in de vroege kindertijd hebben op zichzelf geen grote voorspellende waarde voor latere gevolgen, hoewel een laat begin van taal op de leeftijd van 24 maanden in een steekproef onder de algemene bevolking de beste voorspeller was voor uitkomsten in het 7de levensjaar. Tegen het 4de levensjaar zijn de individuele verschillen in het taalvermogen stabieler geworden, kunnen ze beter gemeten worden en hebben ze een grotere voorspellende waarde voor latere gevolgen. Als de taalstoornis bij kinderen van 4 jaar en ouder vastgesteld wordt, is de kans groot dat deze duurzaam is en tot in de volwassenheid aanhoudt, hoewel het specifieke profiel van zwakke en sterke taalvermogens in de loop van de ontwikkeling kan veranderen. Taalstoornissen kunnen tijdens het hele leven sociale gevolgen hebben. Kinderen met taalstoornissen hebben een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van leeftijdgenoten. Bij vrouwen met een taalstoornis in de kindertijd is het risico op seksueel geweld op volwassen leeftijd mogelijk bijna driemaal zo hoog als bij niet-aangedane kinderen.