Het hoofdkenmerk van de waanstoornis is de aanwezigheid van een of meer wanen gedurende minstens één maand (criterium A). Een classificatie waanstoornis wordt niet toegekend als de betrokkene ooit eerder een symptoombeeld heeft gehad dat voldeed aan criterium A voor schizofrenie (criterium B). Afgezien van de directe effecten van de wanen kunnen de beperkingen in het psychosociale functioneren wat meer begrensd zijn dan bij andere psychotische stoornissen en is het gedrag niet opvallend bizar of vreemd (criterium C). Als gelijktijdig met de wanen ook sprake is van stemmingsepisoden, is de totale duur van die stemmingsepisoden kort vergeleken met de totale duur van de waanperioden (criterium D). De wanen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld cocaïne) of aan een somatische aandoening (bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer), en kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, bijvoorbeeld de morfodysfore stoornis of de obsessieve-compulsieve stoornis (criterium E).
Behalve naar de in de classificatiecriteria genoemde typen wanen is het van groot belang dat ook wordt gekeken naar de symptoomdomeinen cognitie, depressiviteit en manie, om zo het cruciale onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. Hoewel wanen een voorwaarde sine qua non zijn voor de waanstoornis, komen hallucinaties en negatieve symptomen niet vaak voor, en er is zelden sprake van desorganisatie. Per definitie sluit de aanwezigheid van katatonie in combinatie met wanen een waanstoornis uit, omdat dan aan criterium A voor schizofrenie wordt voldaan. In een deel van de gevallen zijn prominente depressieve symptomen aanwezig, maar cognitieve beperkingen en manie worden zelden gezien.