Subklinische psychosesymptomen zoals gedefinieerd in criterium A lijken op een psychose, maar blijven onder de drempel van de psychotische symptomen die meetellen voor de classificatie psychotische stoornis. In vergelijking met een volledige psychotische stoornis zijn de symptomen minder ernstig en meer van voorbijgaande aard. Daarnaast behoudt de betrokkene een redelijk goed inzicht in de psychoseachtige ervaringen, beseft deze meestal dat de veranderde percepties niet echt zijn en laat hij of zij zich niet meeslepen in het magische denken. Bij een subklinische psychose zijn de overtuigingen niet zo gefixeerd als vereist voor de classificatie van een volledige psychotische stoornis. Betrokkenen kunnen aan het twijfelen worden gebracht over hun overtuigingen en percepties, en hun realiteitsbesef kan worden getest met behulp van open vragen, bijvoorbeeld: ‘Ik begrijp dat je de wereld zo ervaart, maar zou er ook een andere verklaring kunnen zijn?’
De classificatie subklinisch psychotisch syndroom vereist een psychopathologische toestand die gepaard gaat met beperkingen in het functioneren in plaats van met een al lang bestaande pathologische persoonlijkheidstrek. De psychische stoornis is niet in volledige psychotische hevigheid tot uiting gekomen. Veranderingen in ervaringen en gedrag worden door de betrokkene of door anderen opgemerkt, en zijn een aanwijzing voor een klinisch significante verandering in de psychische toestand (dat wil zeggen: de symptomen zijn voldoende ernstig of treden frequent genoeg op om een reden voor zorg te zijn) (criterium A).
De inhoud van de subklinische wanen (criterium A1) kan achterdocht/achtervolging zijn, zoals paranoïde betrekkingsideeën. De betrokkene heeft soms een defensieve, wantrouwende houding. Wanneer dergelijke wanen matig-ernstig zijn, heeft de betrokkene geen vertrouwen in anderen, kan deze overmatig op zijn of haar hoede zijn, of schrijft hij of zij anderen kwaadwillende motieven toe. Wanneer de subklinische wanen ernstig zijn maar nog binnen het subklinische bereik vallen, houdt de betrokkene er nauwelijks georganiseerde denkbeelden op na over dreigend gevaar of kwaadwillende bedoelingen van anderen. Wanneer de betrokkene zich tijdens de anamnese defensief opstelt, kan dat de informatievergaring in de weg staan. De neiging om de wereld als vijandig en gevaarlijk te zien is sterk. Aan de andere kant hebben de subklinische wanen soms een grootheidscomponent die zich manifesteert als een onrealistisch gevoel van superioriteit. Wanneer dergelijke wanen matig-ernstig zijn, koestert de betrokkene gedachten dat hij of zij getalenteerd, invloedrijk of speciaal is. Wanneer de subklinische wanen ernstig zijn, heeft de betrokkene de overtuiging superieur te zijn. Dit leidt vaak tot vervreemding van vrienden, en het is een reden voor bezorgdheid bij gezinsleden. Wanneer de betrokkene de opvatting heeft speciaal te zijn, kan hij of zij onrealistische plannen maken of onverstandige zakelijke investeringen doen.
Subklinische hallucinaties (criterium A2) bestaan uit veranderingen in de zintuiglijke waarnemingen: meestal auditief en/of visueel. Bij matig-ernstige subklinische hallucinaties zijn de geluiden en beelden vaak vormeloos (bijvoorbeeld schaduwen, strepen, halo’s, gemompel, gerommel) en ervaart de betrokkene deze als ongewoon en raadselachtig. Wanneer de subklinische hallucinaties ernstig zijn, worden dergelijke ervaringen levendiger en frequenter (terugkerende illusoire vervalsingen of hallucinaties die de aandacht trekken en het denken en de concentratie beïnvloeden). Deze waarnemingsstoornissen kunnen het gedrag verstoren, maar het is nog steeds mogelijk om bij de betrokkene twijfel over het realiteitsgehalte ervan op te roepen.
Subklinische gedesorganiseerde communicatie (criterium A3) kan soms optreden als een vreemde manier van spreken (vaag, metaforisch, overgedetailleerd, vol stereotypen), weinig samenhangend spreken (warrig, rommelig, te snel of te langzaam, verkeerd woordgebruik, irrelevante context, geen verband met de kwestie), of als omslachtig taalgebruik (wijdlopig, tangentieel). Wanneer de desorganisatie matig-ernstig is, begint de betrokkene vaak over irrelevante onderwerpen, maar reageert hij of zij moeiteloos op verklarende vragen. Het spreken wordt soms meanderend en wijdlopig, en is soms ongewoon maar nog wel begrijpelijk. Wanneer de desorganisatie ernstig is, heeft de betrokkene moeite om ter zake te komen zonder sturing van buitenaf (tangentialiteit). Bij nog ernstiger desorganisatie kan het voorkomen dat er gedachtestops en/of ontsporing optreden, vooral wanneer de betrokkene onder druk staat, maar door heroriënterende vragen keren de structuur en organisatie van de conversatie snel terug.
De betrokkene moet klachten hebben en/of minder presteren in het sociale leven of bij andere verplichtingen (criterium D), en hij of zij zelf, of een voor hem of haar verantwoordelijke persoon, moet deze veranderingen opmerken en bezorgdheid hierover uiten in die mate dat behandeling is geïndiceerd (criterium A).
Er zijn instrumenten beschikbaar om te bepalen of aan de criteria A–E wordt voldaan, of om in grote lijnen vast te stellen of de betrokkene een klinisch significant hoog risico loopt op een psychose.