Let op: deze stoornis is opgenomen in Deel III van de DSM-5-TR en is dus nog geen officiële stoornis.

Het onderzoek naar de aanwezigheid van subklinische symptomen kan lastig zijn als de clinicus geen rekening houdt met de invloed van de sociaal-culturele context van de betrokkene. Sommige perceptuele ervaringen (bijvoorbeeld geluiden horen, schaduwen zien) en religieuze of bo­ven­na­tuur­lij­ke overtuigingen (bijvoorbeeld het boze oog, iemand ziek maken door die persoon te vervloeken, de invloed van geesten) kunnen in sommige culturele contexten als vreemd worden beschouwd, terwijl ze in andere volledig worden geaccepteerd. Bovendien kunnen mensen die het slachtoffer zijn van traumatisering of vervolging (bijvoorbeeld marteling, politiek geweld, racisme, discriminatie) klachten en angsten rapporteren die onjuist kunnen worden geïnterpreteerd als subklinische of manifeste paranoïde wanen, aangezien traumatisering impact heeft op iemands stemming en manier van communiceren (soms kan angst terecht zijn om gevaar te vermijden, en kan die zich vermengen met de vrees voor herhaling van het trauma of de post­trau­ma­ti­sche symptomen). Groepen met een hoger risico op een verkeerde diagnose zijn migranten, sociaal onderdrukte etnische en geracialiseerde populaties, en andere groepen die te maken hebben met sociale tegenspoed en discriminatie. Het criterium over lijdensdruk en beperkingen helpt om normatieve sociaal-culturele ervaringen te onderscheiden van symptomen van het subklinisch psychotisch syndroom (bijvoorbeeld een adaptieve waakzaamheid jegens au­to­ri­teits­fi­gu­ren door mensen die gediscrimineerd worden, die kan worden verward met paranoia).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.