Het percentage mensen met agorafobie dat rapporteerde voorafgaand aan het ontstaan van de agorafobie paniekaanvallen of een paniekstoornis te hebben gehad, varieert van 30% in steekproeven uit de bevolking als geheel tot 50% in steekproeven van psychiatrische patiënten. De meerderheid van de mensen met een paniekstoornis vertoont voor het ontstaan van deze stoornis tekenen van angst en agorafobie.

In twee derde van alle gevallen van agorafobie dient de stoornis zich aan voor de leeftijd van 35 jaar, met 21 jaar als de gemiddelde beginleeftijd. De beginleeftijd van agorafobie zonder voorafgaande paniekaanvallen of paniekstoornis is 25–29 jaar. De stoornis openbaart zich zelden al tijdens de kinderjaren. Tijdens de late adolescentie en de jongvolwassen jaren geldt een aanzienlijk in­ci­den­tie­ri­si­co, met verder aanwijzingen voor een tweede fase met een hoog in­ci­den­tie­ri­si­co na de leeftijd van 40 jaar. Bij ongeveer 10% van de oudere volwassenen met agorafobie ontstond de eerste episode van agorafobie na de leeftijd van 65 jaar.

Het beloop van agorafobie is meestal chronisch-recidiverend. Volledige remissie is zeldzaam (10%), tenzij de agorafobie wordt behandeld. Wanneer de agorafobie al op jongere leeftijd (< 20 jaar) ontstond, bestaat bij een comorbide paniekstoornis en agorafobie na perioden van remissie een verhoogde kans op recidiverende symptomen. Hoe ernstiger de agorafobie, des te lager de percentages met volledige remissie en des te hoger het aantal gevallen met terugval en een chronisch beloop. Ongeveer 36% van de mensen met agorafobie die in remissie komen, krijgt uiteindelijk te maken met een terugval. Een scala van andere stoornissen kan het beloop van agorafobie compliceren; dit zijn vooral andere angst­stoor­nis­sen, depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen, stoornissen in het gebruik van een middel en per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen. Wat betreft het lan­ge­ter­mijn­be­loop van agorafobie worden aanzienlijk verhoogde risico’s gezien op het ontwikkelen van een secundaire depressieve stoornis, een persisterende depressieve stoornis en stoornissen in het gebruik van een middel.

Er zijn vrij weinig verschillen in de klinische kenmerken van agorafobie in de verschillende levensfasen, hoewel er wel variaties mogelijk zijn in het type agorafobische situaties dat de angst, vrees of vermijding oproept en het type bijbehorende gedachten. Kinderen vrezen het meest de situatie van het alleen naar buiten gaan, terwijl oudere volwassenen het vaakst angst hebben voor winkels, in de rij staan en in open ruimtes zijn. De bijbehorende cognities gaan vaak over verdwalen (bij kinderen), het ervaren van pa­niek­ach­ti­ge­symp­to­men (volwassenen) en vallen (ouderen).

De ogenschijnlijk lage prevalentie van agorafobie bij kinderen wordt mogelijk veroorzaakt door de moeite die deze leeftijdsgroep heeft met het rapporteren van klachten. Voor de classificatie bij jonge kinderen kan het daarom noodzakelijk zijn om informatie in te winnen bij meerdere bronnen, in elk geval de ouders en de leerkracht. Vergeleken met volwassenen kunnen adolescenten, en vooral jongens, minder bereid zijn om openlijk te spreken over hun agorafobische angsten en vermijding. Dat neemt echter niet weg dat agorafobie wel al eerder dan op volwassen leeftijd kan optreden, en dat ook kinderen en adolescenten op de stoornis moeten worden onderzocht. Voor oudere volwassenen geldt dat het comorbide voorkomen van een somatisch-symp­toom­stoor­nis, somatische complicaties en motorische symptomen (zoals het gevoel te zullen vallen) vaak wordt genoemd als de reden voor hun angst en vermijding. Wanneer dit het geval is, moet zorgvuldig worden beoordeeld of de angst en vermijding overdreven zijn vergeleken met het werkelijk aanwezige gevaar.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.