Het hoofdkenmerk van agorafobie is een uitgesproken vrees of angst, opgeroepen door de werkelijke of geanticipeerde blootstelling aan een breed scala van situaties (criterium A). De classificatie agorafobie vereist dat de aanwezigheid wordt bevestigd van symptomen in ten minste twee van de volgende vijf situaties: (1) gebruikmaken van (openbaar) vervoer, zoals auto, bus, trein, schip of vliegtuig; (2) in open ruimtes zijn, zoals op par­keer­ter­rei­nen, marktpleinen of bruggen; (3) in afgesloten ruimtes zijn, zoals in winkels, theaters of bioscopen; (4) in de rij staan of in een menigte zijn; of (5) alleen buitenshuis zijn. De voorbeelden voor de situaties zijn niet uitputtend; angst voor andere situaties is ook mogelijk. De aan dit soort situaties gebonden vrees en angst gaan vaak gepaard met gedachten over dat er iets ver­schrik­ke­lijks kan gebeuren (criterium B). De betrokkenen zijn er vaak van overtuigd dat ontsnappen moeilijk zal zijn (‘Ik kan er niet uit’) of dat er geen hulp beschikbaar is (‘Er is niemand om me te helpen’) wanneer zich paniekachtige symptomen of andere machteloos makende of gênante symptomen voordoen. Met ‘paniekachtige symptomen’ worden de dertien symptomen bedoeld die worden genoemd in de criteria voor een paniekaanval, zoals duizeligheid, het gevoel flauw te zullen vallen en de angst om dood te gaan. ‘Andere machteloos makende of gênante symptomen’ zijn bijvoorbeeld overgeven en prik­kel­ba­re­darm­klach­ten, en bij oudere volwassenen: de angst om te vallen, of bij kinderen: een gevoel van desoriëntatie en verdwaald zijn.

De hoeveelheid ervaren angst kan variëren al naargelang de nabijheid van de gevreesde situatie toeneemt, en de angst of vrees kan optreden in zowel de werkelijke aanwezigheid van de agorafobische situatie als tijdens het anticiperen daarop. Verder kan de angst of vrees de vorm aannemen van een paniekaanval met alle symptomen, of van een paniekaanval met een beperkt aantal symptomen (een verwachte paniekaanval). De angst of vrees ontstaat bijna elke keer dat de betrokkene in contact komt met de gevreesde situatie (criterium C). De classificatie agorafobie zou dan ook niet gelden voor iemand die slechts af en toe angstig wordt in een agorafobische situatie (bijvoorbeeld slechts één op de vijf keer dat hij of zij in de rij staat). De betrokkene vermijdt de situatie bewust of heeft iemand nodig om hem of haar te begeleiden, maar wanneer dit onmogelijk is of hij of zij ervoor kiest dit niet te doen, roept de situatie intense angst of vrees op (criterium D). Bewuste vermijding betekent dat de betrokkene zich momenteel gedraagt op manieren die doelbewust gericht zijn op het voorkomen of zo veel mogelijk beperken van contact met agorafobische situaties. De vermijding kan tot uiting komen in het gedrag (zoals bij het aanpassen van dagelijkse routines, kiezen voor een baan vlak bij huis om het openbaar vervoer te vermijden, boodschappen thuis laten bezorgen om winkels en supermarkten te vermijden), of een cognitieve vorm aannemen (bijvoorbeeld zichzelf afleiden om zich door de fobische situatie heen te slaan). De vermijding kan zulke ernstige vormen aannemen dat iemand volledig aan huis gebonden raakt. In veel gevallen is het gemakkelijker om een gevreesde situatie het hoofd te bieden in gezelschap van iemand anders, zoals de partner, een vriendin of een ggz-professional. Ook kan de betrokkene vei­lig­heids­ge­drag gaan vertonen (bijvoorbeeld in de buurt van een uitgang gaan zitten in het openbaar vervoer of in de bioscoop) om dergelijke situaties beter te kunnen verdragen.

De angst, vrees of vermijding moet overdreven zijn gezien het werkelijke gevaar dat uitgaat van de agorafobische situatie en de sociaal-culturele context (criterium E). Om een aantal redenen is het van belang om dis­pro­por­ti­o­ne­le, klinisch significante agorafobische angsten te onderscheiden van verstandige angsten (bijvoorbeeld niet naar buiten willen gaan tijdens een zware storm), en om agorafobische situaties te onderscheiden van situaties die men algemeen als gevaarlijk beschouwt (bijvoorbeeld in een buurt met veel criminaliteit het openbaar vervoer gebruiken of over een parkeerterrein lopen). Ten eerste kan het per cultuur en sociaal-culturele context verschillen wat als vermijding wordt beschouwd (in bepaalde delen van de wereld is het voor orthodoxe moslima’s sociaal-cultureel gepast om niet alleen het huis uit te gaan, en daar zou de vermijding dus niet worden beschouwd als een aanwijzing voor agorafobie). Ten tweede zijn oudere volwassenen eerder geneigd om hun angsten te veel toe te schrijven aan leef­tijds­ge­re­la­teer­de beperkingen, en beoordelen zij hun angsten minder vaak als overdreven vergeleken met het werkelijke risico. Ten derde overschatten mensen met agorafobie vaak het gevaar dat uitgaat van hun paniekachtige symptomen of andere lichamelijke symptomen. Agorafobie dient alleen te worden geclassificeerd als de angst, vrees of vermijding aanhoudt (criterium F) en leidt tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium G). De genoemde duur van ‘meestal zes maanden of langer’ is bedoeld om mensen met kortdurende, voorbijgaande problemen uit te sluiten.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.