F40.0
CLASSIFICATIECRITERIA
ADuidelijke angst of vrees voor twee (of meer) van de volgende vijf situaties:
1Gebruikmaken van (openbaar) vervoer (zoals auto, bus, trein, schip, vliegtuig).
2Zich in een open ruimte bevinden (zoals parkeerplaatsen, marktpleinen, bruggen).
3Zich in een afgesloten ruimte bevinden (zoals winkels, theaters, bioscopen).
4In de rij staan of zich in een menigte bevinden.
5Alleen buitenshuis zijn.
Iemand met agorafobie moet angst of vrees rapporteren die voortvloeit uit ten minste twee van de vijf genoemde algemene situaties. Het vereiste van minstens twee van dergelijke situaties onderscheidt agorafobie van de specifieke fobie, die zich kan beperken tot één specifieke situatie. Ook hangt de angst of vrees uitsluitend samen met die situaties en kan deze niet worden toegeschreven aan een meer gegeneraliseerde angst die iemand in verschillende situaties ervaart.
BDe betrokkene vreest of vermijdt deze situaties vanwege de gedachte dat ontsnappen moeilijk zal zijn of hulp niet beschikbaar wanneer zich paniekachtige symptomen of andere machteloos makende of gênante symptomen zouden ontwikkelen (zoals de angst om te vallen bij ouderen; angst voor incontinentie).
De classificatie agorafobie vereist dat de betrokkene denkbeelden heeft die verband houden met de vrees of vermijding. In dit criterium wordt de reden voor het vermijden benadrukt, bijvoorbeeld de vrees dat ontsnappen moeilijk zal zijn. Bovendien kan dit cognitieve aspect van agorafobie samenhangen met de vrees of vermijding van de situatie vanwege de gedachte dat hulp niet beschikbaar zal zijn ‘wanneer zich panieksymptomen of andere machteloos makende of gênante symptomen zouden ontwikkelen (zoals de angst om te vallen bij ouderen; angst voor incontinentie)’, waardoor de classificatie kan worden toegekend in afwezigheid van paniekachtige symptomen.
CDe agorafobische situaties roepen bijna altijd angst of vrees op.
Dit criterium vereist dat de situaties bijna altijd angst of vrees oproepen, waarmee de drempel voor het toekennen van de classificatie wordt verhoogd. Wanneer iemand een enkele situatie vermijdt als gevolg van vrees, of dat zelfs af en toe doet bij bepaalde situaties, dan komt hij of zij niet in aanmerking voor de classificatie.
DDe agorafobische situaties worden bewust vermeden, vereisen de aanwezigheid van een begeleidend persoon, of worden slechts verdragen met intense angst of vrees.
In de DSM-5 is de zinsnede ‘bewust vermeden’ bedoeld om de overdiagnostiek van lichte angst te verminderen.
EDe angst of vrees is buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar dat de agorafobische situaties met zich meebrengen, de sociaal-culturele context in acht genomen.
Dit criterium is nieuw en wordt gebruikt om de betrouwbaarheid te verhogen en het onderscheid met normale angsten groter te maken. Het criterium vraagt om een oordeel van de clinicus (vs. zelferkenning). Zo kan iemand met een voorgeschiedenis van incontinentie weigeren om zijn of haar huis voor een langere periode te verlaten, en dat gedrag kan redelijk zijn. Als de betrokkene slechts een enkele keer last heeft gehad van incontinentie en daarna jarenlang heeft geweigerd het huis te verlaten, dan staat dat echter niet in verhouding tot de vrees.
FDe angst, vrees of vermijding is persisterend en duurt meestal zes maanden of langer.
Om de overdiagnostiek van voorbijgaande angst of vrees te voorkomen wordt een kenmerkende duur vermeld van zes maanden of langer. Dit was voorheen geen vereiste.
GDe angst, vrees of vermijding veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
De mate van beperkingen die samenhangt met agorafobie kan variëren van slechts het vermijden van situaties tot het geheel aan huis gebonden zijn (criterium G). Dit criterium is bedoeld om onderscheid te maken tussen mensen met agorafobie en mensen met lichte of voorbijgaande angsten.
De belangrijkste eigenschap van agorafobie is vermijding, een symptoom dat ook aanwezig kan zijn bij een aantal andere stoornissen. De clinicus dient somatische aandoeningen waarbij vermijdingsgedrag aanwezig kan zijn (bijvoorbeeld een in-flammatoire darmziekte) uit te sluiten (criterium H). Ook andere psychische stoornissen, bijvoorbeeld de obsessieve-compulsieve stoornis, dienen te worden uitgesloten (criterium I).
HAls er sprake is van een somatische aandoening (bijvoorbeeld een inflammatoire darmziekte, ziekte van Parkinson) zijn de angst, vrees of vermijding duidelijk excessief.
De mate van beperkingen die samenhangt met agorafobie kan variëren van slechts het vermijden van situaties tot het geheel aan huis gebonden zijn (criterium G). Dit criterium is bedoeld om onderscheid te maken tussen mensen met agorafobie en mensen met lichte of voorbijgaande angsten.
De belangrijkste eigenschap van agorafobie is vermijding, een symptoom dat ook aanwezig kan zijn bij een aantal andere stoornissen. De clinicus dient somatische aandoeningen waarbij vermijdingsgedrag aanwezig kan zijn (bijvoorbeeld een in-flammatoire darmziekte) uit te sluiten (criterium H). Ook andere psychische stoornissen, bijvoorbeeld de obsessieve-compulsieve stoornis, dienen te worden uitgesloten (criterium I).
IDe angst, vrees of vermijding kan niet beter worden verklaard door de symptomen van een andere psychische stoornis — de symptomen zijn bijvoorbeeld niet beperkt tot de specifieke fobie, situationele type; betreffen niet alleen sociale situaties (zoals bij de sociale-angststoornis); en betreffen niet alleen dwanggedachten (zoals bij de obsessieve-compulsieve stoornis); waargenomen tekortkomingen of gebreken in het uiterlijk (zoals bij de morfodysfore stoornis); herinneringen aan psychotraumatische gebeurtenissen (zoals bij de posttraumatische-stressstoornis); of scheidingsangst (zoals bij de separatieangststoornis).
De mate van beperkingen die samenhangt met agorafobie kan variëren van slechts het vermijden van situaties tot het geheel aan huis gebonden zijn (criterium G). Dit criterium is bedoeld om onderscheid te maken tussen mensen met agorafobie en mensen met lichte of voorbijgaande angsten.
De belangrijkste eigenschap van agorafobie is vermijding, een symptoom dat ook aanwezig kan zijn bij een aantal andere stoornissen. De clinicus dient somatische aandoeningen waarbij vermijdingsgedrag aanwezig kan zijn (bijvoorbeeld een in-flammatoire darmziekte) uit te sluiten (criterium H). Ook andere psychische stoornissen, bijvoorbeeld de obsessieve-compulsieve stoornis, dienen te worden uitgesloten (criterium I).
NB De classificatie agorafobie wordt gebruikt onafhankelijk van de aanwezigheid van de paniekstoornis. Als het beeld van een patiënt voldoet aan de criteria voor zowel de paniekstoornis als agorafobie, moeten beide classificaties worden toegekend.