Temperament Ge­drags­in­hi­bi­tie, negatieve affectiviteit (neuroticisme), angst­sen­si­ti­vi­teit en angst als per­soon­lijk­heids­trek hangen sterk samen met agorafobie maar zijn relevant voor de meeste angst­stoor­nis­sen (specifieke fobieën, sociale-angststoornis, paniekstoornis, ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis).

Omgeving Er is een verband tussen negatieve gebeurtenissen tijdens de kinderjaren (zoals een scheiding of het overlijden van een van de ouders) en andere stressvolle gebeurtenissen, zoals aangevallen of beroofd worden, en het ontwikkelen van agorafobie. Verder beschrijven mensen met agorafobie het klimaat van hun gezin en het opvoedgedrag van hun ouders als minder warm en meer overbeschermend.

Genetica en fysiologie Agorafobie is voor 61% erfelijk. Van alle fobieën heeft agorafobie het sterkste en meest specifieke verband met de genetische factor die de gevoeligheid voor fobieën ver­te­gen­woor­digt. Bij angst­stoor­nis­sen in de familieanamnese begint de agorafobie op jongere leeftijd (<27 jaar); de kans op agorafobie is met name verhoogd wanneer pa­niek­stoor­nis­sen in de familieanamnese voorkomen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.