Het hoofdkenmerk van de borderline-persoonlijkheidsstoornis is een breed aanwezig patroon van instabiliteit van de interpersoonlijke relaties, het zelfbeeld en affecten, en een duidelijke impulsiviteit, beginnend op jongvolwassen leeftijd en tot uiting komend in een scala van situaties.
Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis doen verwoede pogingen om feitelijke of vermeende verlating te voorkomen (criterium 1). Een in de eigen waarneming dreigende scheiding of afwijzing, of het verlies van externe structuur, kan leiden tot vergaande veranderingen in het zelfbeeld, het affect, het gedrag en de gedachten. Deze mensen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in hun omgeving. Als ze worden geconfronteerd met een scheiding van tijdelijke aard, of met een onvermijdelijke aanpassing van de planning, kunnen ze hierop al reageren met intense verlatingsangst en ongepaste woede (zoals plotselinge wanhoop wanneer hun therapeut het einde van de sessie aankondigt; paniek of razernij als een belangrijke ander een paar minuten te laat is of noodgedwongen een afspraak afzegt). Deze mensen kunnen geloven dat ze ‘in de steek gelaten worden’ omdat ze ‘slecht’ zijn. De verlatingsangst heeft te maken met het niet alleen kunnen zijn en de behoefte om andere mensen om zich heen te hebben. Ook impulsieve daden zoals automutilatie of suïcidaal gedrag, die apart worden beschreven in criterium 5, kunnen een uiting zijn van die verwoede pogingen om verlating te voorkomen. Zie ook de subparagraaf ‘Relatie met suïcidegedachten of suïcidaal gedrag’ verderop.
Bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis is er een patroon van instabiele en intense relaties (criterium 2). Ze kunnen potentiële verzorgers of geliefden tijdens de eerste of tweede ontmoeting idealiseren, erop aandringen om veel tijd samen door te brengen, en al in een vroeg stadium van de relatie zeer intieme details met de ander delen. Ze kunnen echter heel snel omschakelen van het idealiseren naar het afkeuren van andere mensen, en hebben dan het gevoel dat de ander niet genoeg om hen geeft, hun niet genoeg te bieden heeft, of ‘er niet genoeg voor hen is’. Deze mensen kunnen zich inleven in anderen en anderen koesteren, maar alleen in de verwachting dat de ander ‘er ook voor hen zal zijn’ om in hun behoeften te voorzien. Ze zijn geneigd tot plotselinge en dramatische omslagen in hun meningen over anderen, die ze afwisselend kunnen zien als een welwillende bron van steun of als bruut afkeurend. Dit soort verschuivingen duidt er vaak op dat de betrokkene gedesillusioneerd is over een beschikbare ander van wie de betrokkene de zorgzame kwaliteiten eerder heeft geïdealiseerd, of door wie de betrokkene verwacht te worden afgewezen of verlaten.
Er kan sprake zijn van een identiteitsstoornis, gekenmerkt door een duidelijk en persisterend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel (criterium 3). In het zelfbeeld kunnen plotselinge en dramatische omslagen optreden (bijvoorbeeld een plotselinge wisseling van positie van behoeftig om hulp smeken naar ‘geheel gerechtvaardigd’ wraak nemen vanwege een mishandeling in het verleden). Deze mensen hebben gewoonlijk een zelfbeeld waarin ze het gevoel hebben dat ze niet deugen of slecht zijn, maar ze kunnen soms ook het gevoel hebben dat ze helemaal niet bestaan. Dit kan zowel pijnlijk als beangstigend zijn voor mensen met deze stoornis. Dergelijke ervaringen treden gewoonlijk op in situaties waarin de betrokkene het gevoel heeft geen relatie van betekenis te hebben of geen zorg en steun te krijgen. In ongestructureerde situaties op het werk of op school kunnen deze mensen slechter presteren. Dit ontbreken van een duidelijke en stabiele identiteit maakt het moeilijk voor iemand met een borderline-persoonlijkheidsstoornis om maladaptieve gedragspatronen bij zichzelf te herkennen, en kan leiden tot repetitieve patronen van problematische relaties.
Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis tonen impulsiviteit in minstens twee levensgebieden, die voor de betrokkene zelf schadelijk kan zijn (criterium 4). Deze impulsiviteit kan zich uiten in gokken, onverantwoordelijk geld uitgeven, eetbuien, middelenmisbruik, onveilige seks of roekeloos autorijden. Mensen met deze stoornis vertonen recidiverend suïcidaal gedrag of suïcidale gestes, ze dreigen met suïcide, of vertonen automutilatie (criterium 5). Recidiverende suïcidale gedachten of gedragingen zijn ook vaak de reden dat deze mensen hulp zoeken. Zelfdestructief gedrag wordt vaak voorafgegaan door een dreigende scheiding of afwijzing, of door de verwachting dat de betrokkene meer verantwoordelijkheid neemt. Dit gedrag (bijvoorbeeld zichzelf snijden of branden) komt geregeld voor, ook tijdens perioden waarin de betrokkene dissociatieve symptomen ervaart. Het gedrag brengt de betrokkene dan vaak verlichting, door de bevestiging toch nog iets te kunnen voelen of door het gevoel te kunnen boeten voor de eigen slechtheid.
Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis kunnen een affectieve instabiliteit vertonen die wordt veroorzaakt door een opvallende reactiviteit van hun stemming (zoals intense episodische somberheid, prikkelbaarheid of angst, die gewoonlijk enkele uren duurt en zelden langer dan een paar dagen) (criterium 6). De basisstemming van dysforie bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt vaak op heftige wijze doorbroken door perioden van boosheid, paniek of wanhoop; verlichting in de vorm van perioden van welbevinden of tevredenheid is er maar zelden. Deze episoden kunnen een uiting zijn van de extreme reactiviteit van de betrokkene op interpersoonlijke stressoren. Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis kunnen lijden aan een chronisch gevoel van leegte, wat kan samengaan met pijnlijke gevoelens van eenzaamheid (criterium 7). Doordat zij zich snel vervelen, gaan ze vaak op zoek naar spanning om hun gevoel van leegte te verdrijven. Mensen met deze stoornis uiten vaak een ongepaste, intense woede, of hebben er moeite mee om hun boosheid te beheersen (criterium 8). Ze kunnen extreem sarcastisch of aanhoudend verbitterd zijn, of verbale woede-uitbarstingen hebben. Die woede wordt vaak opgeroepen als deze mensen het gevoel hebben door een verzorger of geliefde te worden verwaarloosd, of dat de ander niet echt om hen geeft, onverschillig is, of hen in de steek laat. Deze uitingen van woede worden vaak gevolgd door schaamte en schuldgevoel, en dragen daardoor bij aan het gevoel slecht te zijn. Tijdens perioden van extreme stress zijn voorbijgaande paranoïde denkbeelden mogelijk, of dissociatieve symptomen (zoals depersonalisatie) (criterium 9), maar deze zijn over het algemeen niet ernstig genoeg om het toekennen van een aanvullende classificatie te rechtvaardigen. Deze episoden treden het vaakst op als reactie op een feitelijke of vermeende verlating. De symptomen zijn over het algemeen van voorbijgaande aard, en duren enkele minuten tot uren. De feitelijke of ervaren terugkeer van de betrokken zorg van een ander kan leiden tot een remissie van de symptomen.