Borderline-persoonlijkheidsstoornis
Borderline personality disorder
F60.3
CLASSIFICATIECRITERIA
Een pervasief patroon van instabiliteit van de interpersoonlijke relaties, van het zelfbeeld en van affecten, en duidelijke impulsiviteit, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
1Verwoede pogingen om feitelijke of vermeende verlating te voorkomen. (NB Reken hierbij niet de in criterium 5 beschreven suïcidale gedragingen of automutilatie.)
2Een patroon van instabiele en intense interpersoonlijke relaties gekenmerkt door afwisselingen tussen extreem idealiseren en devalueren.
3Een identiteitsstoornis: een duidelijk en persisterend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel.
4Impulsiviteit op minstens twee gebieden, die de betrokkene in potentie zelf kunnen schaden (geld verkwisten, seks, middelenmisbruik, roekeloos autorijden, eetbuien). (NB Reken hierbij niet de in criterium 5 beschreven suïcidale gedragingen of automutilatie.)
5Recidiverende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of automutilatie.
6Affectieve instabiliteit als gevolg van een duidelijke reactiviteit van de stemming (bijvoorbeeld episoden van intense dysforie, prikkelbaarheid of angst, gedurende meestal enkele uren en zelden langer dan een paar dagen).
7Chronisch gevoel van leegte.
8Inadequate, intense woede, of moeite hebben boosheid te beheersen (bijvoorbeeld frequente woede-uitbarstingen, constante boosheid, recidiverende vechtpartijen).
9Voorbijgaande, stressgerelateerde paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve symptomen.