Het hoofdkenmerk van de stereotiepe-bewegingsstoornis zijn repetitieve, ogenschijnlijk drangmatige en klaarblijkelijk doelloze psychomotorische handelingen (criterium A). Het gaat vaak om ritmische bewegingen van het hoofd, de handen of het lichaam, zonder duidelijke functie. De bewegingen kunnen al dan niet reageren op pogingen om ermee te stoppen. Bij zich normaal ontwikkelende kinderen kunnen de repetitieve bewegingen meestal gestopt worden als de aandacht op hen gericht wordt of als het kind afgeleid wordt. Bij kinderen met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen reageren de bewegingen minder sterk op dergelijke pogingen. In andere gevallen onderdrukt de betrokkene het gedrag (zoals door op de handen te gaan zitten, de armen in kleding te wikkelen, een beschermend middel te vinden).
Het repertoire aan bewegingen is variabel; elke persoon vertoont zijn of haar eigen individuele ‘gedragssignatuur’. Voorbeelden van niet-zelfbeschadigende stereotiepe bewegingen zijn schommelen met het lichaam, met beide handen fladderen of draaien, schudden of wapperen met de vingers voor het gezicht, met de armen zwaaien of fladderen en knikken met het hoofd; het grimasseren met de mond wordt vaak gezien met bewegingen van de bovenste ledematen. Stereotiepe zelfbeschadigende handelingen betreffen onder andere herhaaldelijk met het hoofd bonken, zich in het gezicht slaan, in de ogen prikken, en bijten in de handen, lippen of andere lichaamsdelen. Vooral prikken in de ogen is zorgwekkend; het komt vaker voor onder kinderen met een visusstoornis. Multipele bewegingen kunnen gecombineerd worden (zoals buigen met het hoofd, schommelen met de romp, herhaaldelijk voor het gezicht zwaaien met een klein koordje).
Stereotiepe bewegingen kunnen zich vele malen per dag voordoen en een paar seconden tot een aantal minuten of langer duren. De frequentie kan variëren van vele malen op één dag tot een episode om de paar weken. Het gedrag varieert met de context en doet zich voor als de betrokkene door andere activiteiten in beslag wordt genomen, als hij zich opwindt, gestrest is, moe is of zich verveelt. Criterium A vereist dat de bewegingen ‘schijnbaar’ doelloos zijn. Soms kunnen de bewegingen echter functioneel zijn. Stereotiepe bewegingen kunnen bijvoorbeeld angst als reactie op externe stressoren verkleinen.
Criterium B vereist dat de stereotiepe bewegingen sociale, schoolse of andere activiteiten belemmeren, en bij sommige kinderen resulteren in zelfbeschadiging (of ze zouden daarin resulteren wanneer er geen beschermende maatregelen worden getroffen). De aanwezigheid of afwezigheid van zelfbeschadigend gedrag moet worden aangegeven aan de hand van de specificatie ‘met zelfbeschadigende handelingen’ of ‘zonder zelfbeschadigende handelingen’. De stereotiepe bewegingen beginnen in de vroege kindertijd (criterium C). Criterium D vereist dat het repetitieve, stereotiepe gedrag bij de stereotiepe-bewegingsstoornis niet kan worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel of aan een neurologische aandoening, en niet beter verklaard kan worden door een andere neurobiologische ontwikkelingsstoornis of psychische stoornis. De aanwezigheid van stereotiepe bewegingen kan erop duiden dat er sprake is van een nog niet ontdekt neurobiologisch ontwikkelingsprobleem, in het bijzonder bij kinderen tussen 1 en 3 jaar.