Normale ontwikkeling Eenvoudige stereotiepe bewegingen komen veel voor in de kleutertijd en de vroege kindertijd. Schommelen kan zich tijdens de overgang tussen slapen en waken voordoen, gedrag dat met het ouder worden meestal verdwijnt. Complexe stereotiepe bewegingen komen minder vaak voor bij zich normaal ontwikkelende kinderen en kunnen meestal onderdrukt worden door afleiding of zintuiglijke prikkeling. De dagelijkse routines worden nauwelijks beïnvloed en de bewegingen veroorzaken meestal geen lijdensdruk bij het kind. In deze omstandigheden is de classificatie niet van toepassing.

Au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis Stereotiepe bewegingen kunnen een eerste symptoom zijn van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis en moeten worden meegewogen bij het beoordelen van repetitieve bewegingen en handelingen. Deficiënties in de sociale communicatie en wederkerigheid die zich bij de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis voordoen, zijn in het algemeen afwezig bij de stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis, en daarmee vormen sociale interactie, sociale communicatie, en rigide, repetitief gedrag en interesses onderscheidende kenmerken. Als de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis aanwezig is, wordt de classificatie stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis alleen toegekend als er sprake is van zelf­be­scha­di­ging of als het stereotiepe gedrag ernstig genoeg is om de behandeling erop te richten.

Ticstoornissen Stereotiepe bewegingen beginnen meestal op jongere leeftijd (voor het 3de levensjaar) dan tics, die gemiddeld tussen het 4de en 6de levensjaar beginnen. Ze zijn bovendien consistent en gefixeerd in hun patroon of vorm, anders dan tics, waarvan het klinische beeld varieert en waarvan het karakter doorgaans in de loop van de tijd verandert. Stereotiepe bewegingen kunnen armen, handen of het hele lichaam betreffen, terwijl het bij tics meestal om de ogen, het gezicht, het hoofd en de schouders gaat. Stereotiepe bewegingen zijn meer gefixeerd, ritmischer en langer in duur dan tics, die in het algemeen kort, snel, willekeurig en veranderlijk zijn. Stereotypieën zijn egosyntoon (kinderen vinden ze prettig), maar tics zijn daarentegen meestal egodystoon. Tics nemen toe en af in plaats en tijd en gaan op een unieke wijze gepaard met aankondigende ervaringen (sensorische gewaarwordingen die aan veel motorische tics voorafgaan). Tics en stereotiepe bewegingen worden beide minder als er afleiding is.

Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen De stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis onderscheidt zich van de obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) door de afwezigheid van obsessies en door de aard van het repetitieve gedrag. Bij de ob­ses­sie­ve­com­pul­sie­ve stoornis voelt de betrokkene zich gedwongen om repetitieve handelingen uit te voeren als reactie op een obsessie of volgens regels die rigide moeten worden toegepast, terwijl het gedrag bij de stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis eerder drangmatig is, en bovendien doelloos. Tri­cho­til­lo­ma­nie (haar­uit­trek­stoor­nis) en de ex­co­ri­a­tie­stoor­nis (huid­pulk­stoor­nis) worden gekenmerkt door repetitief gedrag dat op het lichaam is gericht (zoals haren uittrekken en aan de huid pulken), en dat weliswaar drangmatig, maar niet doelloos is, en dat geen vast patroon vertoont of ritmisch is. Bovendien beginnen tri­cho­til­lo­ma­nie en de ex­co­ri­a­tie­stoor­nis meestal niet in de vroege kindertijd, maar vaker rond de puberteit of later.

Neurologische en andere somatische aandoeningen Voor het classificeren van een stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis moeten gewoonten, maniërismen, paroxismale dyskinesie en een goedaardige erfelijke chorea worden uitgesloten. Neurologische anamnese en neurologisch onderzoek zijn noodzakelijk om de aanwezigheid van kenmerken van andere stoornissen vast te kunnen stellen, zoals myoclonus, dystonie, tics en chorea. Onwillekeurige bewegingen die samenhangen met een neurologische aandoening kunnen herkend worden aan hun klachten en verschijnselen. Zo kunnen de repetitieve, stereotiepe bewegingen bij tardieve dyskinesie herkend worden aan de hand van een geschiedenis van chronisch neu­ro­lep­ti­ca­ge­bruik en kenmerkende orale of faciale dyskinesie, of onregelmatige bewegingen van de romp of ledematen. Dergelijke soorten bewegingen leiden niet tot zelf­be­scha­di­ging. Stereotiepe bewegingen komen bijvoorbeeld veel voor bij verschillende neurogenetische stoornissen, zoals het syndroom van Lesch-Nyhan, het syndroom van Rett, het fragiele-X-syndroom, het syndroom van Cornelia de Lange en het syndroom van Smith Magenis. Als de stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis samengaat met een bekende genetische of somatische aandoening, neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis of omgevingsfactor, registreer dan ‘stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis samenhangend met [naam van de aandoening, stoornis of factor]’ (bijvoorbeeld: ‘stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis samenhangend met het syndroom van Lesch-Nyhan’).

Repetitieve handelingen door een middel De classificatie stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis is niet van toepassing bij het repetitief huidpulken of krabben dat soms samengaat met intoxicatie door of misbruik van een amfetamine. In die gevallen zou de classificatie obsessieve-compulsieve of verwante stoornis door een middel/medicatie van toepassing kunnen zijn.

Functionele (conversie)stereotypieën Motorische stereotypie moet worden onderscheiden van functionele be­we­gings­stoor­nis­sen. Enkele typerende kenmerken waaraan functionele stereotypieën zijn te herkennen zijn: een plotseling begin, afleidbaarheid, een veranderend patroon met onverklaarde verbeteringen of verergeringen en het gelijktijdig voorkomen met andere symptomen van de functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.