Stoornissen in het gebruik van een middel beginnen vaak tijdens de late adolescentie en bereiken hun hoogtepunt als de betrokkene in de leeftijd van 20 tot 40 jaar is. Een langere geschiedenis van een ernstige stoornis in het gebruik van een middel hangt samen met een grotere kans op NCS, maar het verband is niet eenduidig. Bij mensen die er voor hun 50ste in slagen om met het gebruik te stoppen, kunnen de neurocognitieve functies in de meeste gevallen in aanzienlijke mate of zelfs volledig herstellen. De kans dat een NCS door een middel/medicatie blijvend van karakter wordt, is het grootst bij mensen die na hun 50ste stoornissen in het gebruik van een middel blijven houden, waarschijnlijk door een combinatie van afgenomen neurale plasticiteit en het begin van andere leef­tijds­ge­re­la­teer­de veranderingen in de hersenen.

Neurocognitieve stoornissen kennen mogelijk een tamelijk snel begin van neurocognitieve beperkingen bij mensen die in het verleden meerdere soorten drugs hebben gebruikt, en vooral bij een vroeg begin van het middelengebruik. Een vroeger begin van zwaar gebruik, vooral van alcohol, kan gedurende de latere neurale ontwikkeling tot tekorten leiden (bijvoorbeeld een latere rijping van de frontale systemen), wat gevolgen kan hebben voor het sociaal-cognitieve functioneren en andere neurocognitieve vermogens. Bij de NCS door alcohol kan er sprake zijn van een bijkomend effect van het ouder worden bij hersenletsel door alcohol.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.