Au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis Kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis vertonen afwijkend sociaal gedrag, maar dat gedrag is ook een hoofdkenmerk van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis. Jonge kinderen met een van beide stoornissen kunnen een verminderde uiting van positieve emoties, cognitieve en taal­ach­ter­stan­den en beperkingen in de sociale wederkerigheid vertonen. De reactieve hech­tings­stoor­nis moet dientengevolge onderscheiden worden van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis. Deze twee stoornissen kunnen van elkaar ge­dif­fe­ren­ti­eerd worden aan de hand van het verschil in een voor­ge­schie­de­nis van verwaarlozing en op grond van de aanwezigheid van een beperkte interesse of geritualiseerd gedrag, een specifieke deficiëntie in de sociale communicatie en selectief hechtingsgedrag. Kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis hebben een geschiedenis van ernstige sociale verwaarlozing, maar het is niet altijd mogelijk om een gedetailleerde anamnese te verkrijgen over de precieze aard van hun ervaringen, in het bijzonder bij een eerste beoordeling. Kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis hebben slechts zelden een geschiedenis van sociale verwaarlozing. De beperkte interesses en het repetitieve gedrag die kenmerkend zijn voor de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis, vormen geen kenmerk van de reactieve hech­tings­stoor­nis. Deze klinische kenmerken uiten zich in een excessief vasthouden aan rituelen en routines; beperkte, gefixeerde interesses; en ongewone zintuiglijke reacties. Het is echter belangrijk om op te merken dat kinderen met beide aandoeningen stereotiep gedrag kunnen vertonen, zoals schommelen en fladderen. Kinderen met een van deze twee aandoeningen kunnen ook verschillen vertonen in het intellectueel functioneren, maar alleen kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis vertonen specifieke beperkingen in sociaal communicatief gedrag, zoals intentionele communicatie (communicatie die opzettelijk en doelgericht is, en het gedrag van de ontvanger moet beïnvloeden). Kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis vertonen een sociaal communicatief functioneren dat strookt met hun algemene niveau van intellectueel functioneren. Tot slot vertonen kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis geregeld hechtingsgedrag dat normaal is voor hun ont­wik­ke­lings­ni­veau. Voor kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis geldt dat echter slechts zelden, of op een inconsistente wijze, als het al het geval is. Via gestructureerde observaties zijn beide stoornissen mogelijk beter van elkaar te onderscheiden.

Verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking) De reactieve hech­tings­stoor­nis gaat vaak gepaard met ont­wik­ke­lings­ach­ter­stan­den, maar die mogen niet met de stoornis verward worden. Kinderen met een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis moeten sociale en emotionele vaardigheden vertonen die vergelijkbaar zijn met hun cognitieve vaardigheden, en niet de diepgaande vermindering in positief affect en moeite met de emotieregulatie die zichtbaar zijn bij kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis. Bovendien moeten kinderen met een ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand die de cognitieve leeftijd van 7–9 maanden hebben bereikt, selectieve hech­tings­re­la­ties vertonen, ongeacht hun ka­len­der­leef­tijd. Kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis vertonen daarentegen een gebrek aan voorkeuren in de hechting, ook al hebben ze het ont­wik­ke­lings­ni­veau van minstens 9 maanden bereikt.

Depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen Depressiviteit bij jonge kinderen hangt ook samen met een vermindering in het positieve affect. Er zijn echter weinig aanwijzingen dat kinderen met een depressieve-stem­mings­stoor­nis beperkingen in de hechting vertonen. Dat wil zeggen dat jonge kinderen bij wie een depressieve-stem­mings­stoor­nis is vastgesteld, nog steeds troost zoeken en reageren op pogingen van verzorgers om troost te bieden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.