F94.1
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen consistent patroon van geremd, emotioneel teruggetrokken gedrag jegens volwassen verzorgers, wat tot uiting komt in beide volgende kenmerken:
1Het kind zoekt zelden of nauwelijks vertroosting als het van streek is.
2Het kind reageert zelden of nauwelijks op troosten als het van streek is.
Dit criterium definieert het verstoorde en ongepaste hechtingsgedrag dat bij een kind waargenomen wordt ten opzichte van volwassen verzorgers. Het kind zoekt zelden of nauwelijks troost bij een hechtingsfiguur en reageert zelden of nauwelijks op troosten als het van streek is. Hoewel sommigen hebben gesuggereerd dat de kern van deze stoornis wordt gevormd door een stoornis in het sociale gedrag of de sociale communicatie, is het waarschijnlijker dat het ontbreken van selectieve hechting onvermijdelijk leidt tot beperkingen in het sociale functioneren, en dat het sociale gedrag aanmerkelijk verbetert als het kind zich in een gunstiger omgeving bevindt, wat hechting de kern van deze stoornis maakt.
BEen persisterende sociale en emotionele stoornis die gekenmerkt wordt door minstens twee van de volgende kenmerken:
1Minimale sociale en emotionele responsiviteit op anderen.
2Beperkt positief affect.
3Episoden van onverklaarde prikkelbaarheid, verdrietigheid of angstigheid die zelfs gedurende niet-bedreigende interacties met volwassen verzorgers evident zijn.
Dit criterium vereist dat er ‘een patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging’ aanwezig is, zoals blijkt uit minstens één van de volgende drie opvoedpatronen: veronachtzaming van de behoeften van het kind aan vertroosting, aanmoediging en affectie; herhaaldelijk wisselen van primaire verzorgers; en opgroeien in ongebruikelijke omgevingen die de mogelijkheden voor selectieve hechting ernstig beperken, zoals instellingen met veel kinderen per verzorger. Vanuit praktisch oogpunt vormt dit criterium een uitdaging voor de clinicus, omdat niet altijd wordt toegegeven dat er sprake is van ontoereikende zorg, en dit dus niet altijd duidelijk kan worden vastgesteld. Veel jonge kinderen kunnen hun eigen ervaringen nog niet beschrijven, en verzorgers kunnen ervan beschuldigd worden dat zij onvoldoende zorg verlenen (en zien dus geen reden om dit zelf te rapporteren). Toch vormt het behoud van criterium C geen beletsel om de classificatie reactieve hechtingsstoornis toe te kennen aan kinderen van wie de clinicus niet weet of ze slecht behandeld zijn. Aan de andere kant zijn er geen gevalsbeschrijvingen van jonge kinderen die de kenmerken van een reactieve hechtingsstoornis hebben bij wie er geen redelijke verdenking was van ernstig ontoereikende zorg. De wijzigingen zijn bedoeld om de vormen van verzorging die kinderen vatbaar lijken te maken voor een reactieve hechtingsstoornis gedetailleerd te beschrijven. De criteria zijn minder specifiek gebleven dan wenselijk is, maar dit is een lastig onderzoeksgebied, waardoor de hoeveelheid gegevens beperkt is.
Dit criterium geeft aan dat de classificatie een aanhoudende sociale en emotionele stoornis vereist die gekenmerkt wordt door minstens twee van drie gedragingen: minimale sociale en emotionele responsiviteit op anderen, beperkt positief affect, en episoden van onverklaarbare prikkelbaarheid, verdrietigheid of angstigheid, zelfs gedurende niet-bedreigende interacties met zorgverleners. Door dit gedrag te onderscheiden van dat genoemd in criterium A, wordt de classificatie beperkt tot kinderen die zowel beide kenmerken uit de DSM-5-criteria vertonen als een hechtingsfiguur ontberen, wat impliciet maar niet voluit in DSM-IV-criterium A staat vermeld.
CHet kind heeft een patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging meegemaakt, zoals blijkt uit minstens één van de volgende kenmerken:
1Sociale verwaarlozing of deprivatie waarbij emotionele basisbehoeften aan vertroosting, aanmoediging en affectie persisterend door volwassen verzorgers worden veronachtzaamd.
2Herhaaldelijk wisselen van primaire verzorgers, wat het vormen van stabiele hechtingsrelaties beperkt (zoals frequente veranderingen in de pleegzorg).
3Opgroeien in ongebruikelijke omgevingen, wat het vormen van selectieve hechtingsrelaties ernstig beperkt (zoals instellingen met veel kinderen per verzorger).
DEr zijn redenen om te veronderstellen dat de verzorging genoemd in criterium C verantwoordelijk is voor het gestoorde gedrag uit criterium A (de gedragsproblemen in criterium A zijn bijvoorbeeld begonnen na het gebrek aan adequate verzorging in criterium C).
Dit criterium is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV. Aangenomen wordt dat het patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging, zoals beschreven in criterium C, verantwoordelijk is voor het afwijkende gedrag van het kind.
EEr wordt niet voldaan aan de criteria voor de autismespectrumstoornis.
Vanwege overlappende symptomen moet de autismespectrumstoornis worden uitgesloten. Afwijkend sociaal gedrag is een kenmerk van jonge kinderen met een reactieve hechtingsstoornis, maar ook van kinderen met een autismespectrumstoornis. De twee stoornissen kunnen worden gedifferentieerd op basis van de ontwikkelingsgeschiedenis van verwaarlozing, de aanwezigheid van beperkte interesses of geritualiseerd gedrag, specifieke deficiënties in de sociale communicatie, en de aanwezigheid van selectieve hechting. Hoewel de werkgroep heeft onderkend dat de autismespectrumstoornis en de reactieve hechtingsstoornis comorbide zouden kunnen voorkomen, heeft de combinatie van ontbrekende gegevens en bezorgdheid over de mogelijkheid dat de ene stoornis met de andere wordt verward, geleid tot de aanbeveling om dit criterium op te nemen.
FDe stoornis is vóór het 5de levensjaar duidelijk aanwezig.
Net zoals in de DSM-IV moeten de symptomen duidelijk aanwezig zijn voor de leeftijd van 5 jaar (criterium F). Nieuw in de DSM-5 is echter het vereiste dat het kind een ontwikkelingsleeftijd van 9 maanden moet hebben bereikt (criterium G). Dit laatste criterium is toegevoegd om ervoor te zorgen dat er geen hechtingsstoornis wordt vastgesteld bij kinderen die vanwege een ontwikkelingsachterstand niet in staat zijn tot een gerichte hechting. Naast selectief troost zoeken en aanwijzingen in het gedrag voor selectieve hechting, ontstaan terughoudendheid ten opzichte van vreemden en verzet tegen separatie meestal op de leeftijd van 7 tot 9 maanden.
GHet kind heeft een ontwikkelingsniveau van minstens 9 maanden.
Net zoals in de DSM-IV moeten de symptomen duidelijk aanwezig zijn voor de leeftijd van 5 jaar (criterium F). Nieuw in de DSM-5 is echter het vereiste dat het kind een ontwikkelingsleeftijd van 9 maanden moet hebben bereikt (criterium G). Dit laatste criterium is toegevoegd om ervoor te zorgen dat er geen hechtingsstoornis wordt vastgesteld bij kinderen die vanwege een ontwikkelingsachterstand niet in staat zijn tot een gerichte hechting. Naast selectief troost zoeken en aanwijzingen in het gedrag voor selectieve hechting, ontstaan terughoudendheid ten opzichte van vreemden en verzet tegen separatie meestal op de leeftijd van 7 tot 9 maanden.
→Specificeer indien:
Persisterend De stoornis is meer dan een jaar aanwezig geweest.
→Specificeer actuele ernst:
De reactieve hechtingsstoornis krijgt de specificatie ‘ernstig’ als een kind alle symptomen van de stoornis vertoont, waarbij elk symptoom zich op een relatief hoog niveau manifesteert.