De reactieve hech­tings­stoor­nis wordt gekenmerkt door een patroon van duidelijk verstoord hechtingsgedrag dat niet bij de ontwikkeling past, waarbij een kind zich zelden of nauwelijks tot een hechtingsfiguur wendt voor troost, steun, bescherming en koesterende zorg. Het hoofdkenmerk is een afwezige of ernstig on­der­ont­wik­kel­de hechting tussen het kind en de veronderstelde verzorgende volwassenen. Er wordt van uitgegaan dat kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis in staat zijn om selectieve hech­tings­re­la­ties te vormen. Maar omdat ze daartoe tijdens hun vroege ontwikkeling niet voldoende gelegenheid hebben gehad, zijn ze niet in staat om het gedrag te vertonen dat hoort bij selectieve hech­tings­re­la­ties. Dat wil zeggen dat ze als ze van streek zijn geen consistente pogingen doen om vertroosting, steun, koesterende zorg of bescherming van verzorgers te verkrijgen. Bovendien reageren kinderen met deze stoornis als ze van streek zijn slechts minimaal op troostpogingen van verzorgers. De stoornis hangt dus samen met de afwezigheid van te verwachten troostzoekend gedrag en reacties op troostend gedrag. Kinderen met een reactieve hech­tings­stoor­nis uiten geen of nauwelijks positieve emoties in de dagelijkse omgang met verzorgers. Bovendien is hun vermogen om emoties te reguleren aangetast en vertonen ze episoden van negatieve emoties als vrees, verdriet of prikkelbaarheid die niet eenvoudig verklaard kunnen worden. Een classificatie reactieve hech­tings­stoor­nis mag niet worden toegekend aan kinderen die gezien hun ont­wik­ke­lings­ni­veau niet in staat zijn om selectieve hech­tings­re­la­ties te vormen. Daarom moet het kind een ont­wik­ke­lings­ni­veau van ten minste 9 maanden hebben. Wanneer de symptomen volgens meerdere bronnen in alle contexten blijken op te treden, ondersteunt dit het diagnostisch oordeel.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.