De meeste kinderen met enuresis hebben geen comorbide psychische stoornis, maar de prevalentie van comorbide gedrags- en ont­wik­ke­lings­symp­to­men is bij kinderen met zowel enuresis overdag als ’s nachts wel hoger dan bij kinderen zonder incontinentie. Bij een deel van de kinderen met enuresis is er ook ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand, onder andere op het gebied van de spraak, de taal, het leervermogen en de motorische ontwikkeling. Encopresis en obstipatie komen voor bij zowel incontinentie overdag als incontinentie ’s nachts. Nachtelijke enuresis gaat samen met het rus­te­lo­ze­be­nen­syn­droom en parasomnieën zoals non-remslaap-arou­sal­stoor­nis­sen (de typen slaapwandelen en pavor nocturnus). Daarnaast is er een verband tussen nachtelijke enuresis en luid snurken of slaapapneu. Ongeveer 50% van de kinderen met enuresis bij wie adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen zijn vastgesteld, is na een ade­no­ton­sil­lec­to­mie niet meer incontinent. Bij kinderen met urine-incontinentie overdag en niet-mo­no­symp­to­ma­ti­sche nachtelijke enuresis, vooral het subtype ‘alleen overdag’, komen vaker uri­ne­weg­in­fec­ties voor dan bij kinderen die zindelijk zijn.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.