In de ontwikkeling en het beloop van een NCS door hiv-infectie kunnen neurocognitieve beperkingen optreden wanneer de hivi-nfectie asymptomatisch is. Een NCS door hiv-infectie kan verdwijnen, verbeteren, stabiel blijven, langzaam verslechteren, snel verslechteren of een fluctuerend beloop hebben. Snelle progressie tot een zeer ernstige neurocognitieve stoornis komt zelden voor bij behandeling met de tegenwoordig beschikbare antiretrovirale combinatietherapie, hoewel dit nog wel kan optreden onder subgroepen van een hogere leeftijd of bij specifieke comorbiditeiten die bevorderend kunnen zijn voor een cognitieve stoornis. Desondanks geeft een plotselinge verandering in de psychische toestand bij het overgrote deel van de mensen met hiv aanleiding om te onderzoeken of er andere somatische oorzaken zijn voor de cognitieve verandering, waaronder secundaire infecties. Omdat een hiv-infectie in het beloop van de ziekte vooral de subcorticale gebieden aantast, waaronder de diepliggende witte stof, volgt de progressie van de stoornis een ‘subcorticaal’ patroon. Dit subcorticale patroon van cognitieve beperkingen wordt gekenmerkt door psychische vertraging samengaand met motorische stoornissen, deficiënties in het procedureel leren en problemen met de vrije herinnering, de verbale abstractie en het benoemen.
Een hiv-infectie kan verschillende hersengebieden aantasten en de ziekte kan een uiteenlopend beloop hebben, afhankelijk van de ermee gepaard gaande comorbide aandoeningen en de gevolgen van de hiv-infectie. Daarom heeft het algemene beloop van een NCS door hiv-infectie een sterk heterogeen karakter. In hoge-inkomenslanden is hiv-infectie meestal een aandoening van volwassenen, waarbij de verwerving via risicogedrag verloopt (zoals onveilige seks, intraveneus middelengebruik), dat in de late adolescentie begint en zijn hoogtepunt bereikt in de jong- en middenvolwassenheid en voor een aanzienlijk deel ook op hoge leeftijd persisteert. In lagere-inkomenslanden waar hiv-tests en antiretrovirale behandelingen voor zwangere vrouwen nauwelijks voorhanden zijn, komt perinatale transmissie veel voor. De NCS bij dergelijke (jonge) kinderen kan zich primair als een neurobiologische ontwikkelingsachterstand uiten. Wanneer mensen die voor hiv zijn behandeld overleven en een hogere leeftijd bereiken, zijn bijkomende en interactieve neurocognitieve effecten van hiv en leeftijd mogelijk, waaronder andere neurocognitieve stoornissen (bijvoorbeeld door de ziekte van Alzheimer en door de ziekte van Parkinson). In de Verenigde Staten is meer dan 50% van de mensen met hiv ouder dan 50 jaar. Voor het voortdurend beheersen van de hiv-infectie is antiretrovirale therapie op lange termijn geïndiceerd. Sommige antiretrovirale therapieën kunnen echter gepaard gaan met ontstekingen, neurotoxische effecten en veranderingen in de stofwisseling die tot vasculaire risico’s kunnen leiden en die indirect, in combinatie met het ouder worden en/of somatische comorbiditeiten met mogelijke gevolgen voor de cognitie, tot meer neurocognitieve beperkingen kunnen leiden.