Delirium
Heeft als kenmerk een stoornis in het bewustzijn (verminderd besef van de omgeving) en in de aandacht (d.w.z. een verminderd vermogen om de aandacht te sturen, te richten, vast te houden en te verplaatsen) die zich in korte tijd ontwikkelt, meestal binnen een aantal uren of dagen, en de neiging heeft in de loop van de dag in ernst te fluctueren. Daar staat tegenover dat de meeste typen uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornissen (bijvoorbeeld door de ziekte van Alzheimer) een geleidelijk begin hebben en een geleidelijk toenemende verslechtering. De classificatie uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis wordt niet toegekend als de cognitieve deficiënties uitsluitend optreden in het kader van een delirium. De perioden met een delirium kunnen gesuperponeerd zijn op een neurocognitieve stoornis en indien aanwezig, dient deze te worden geclassificeerd.
Intoxicatie door een middel of onttrekkingssyndroom van een middel
Heeft als mogelijk kenmerk cognitieve beperkingen, die afnemen wanneer de acute effecten van een intoxicatie of een onttrekking verdwijnen. De classificatie uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie wordt daarentegen uitsluitend toegekend als de cognitieve beperkingen na de periode van een acute intoxicatie of onttrekking lange tijd aanhouden.
Verstandelijke beperking (verstandelijke- ontwikkelingsstoornis)
Heeft als kenmerk deficiënties in de intellectuele functies en het adaptieve functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen, die beginnen gedurende de ontwikkelingsperiode. Bij de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis is daarentegen sprake van een achteruitgang van het cognitieve functioneren. Mensen met een verstandelijke beperking kunnen ook een classificatie neurocognitieve stoornis toegekend krijgen als hun cognitieve functioneren als gevolg van de directe effecten van een comorbide somatische aandoening achteruitgaat (bijvoorbeeld iemand met het downsyndroom bij wie de cognitieve capaciteiten na hoofdletsel achteruitgaan).
Schizofrenie
Heeft als mogelijk kenmerk cognitieve beperkingen en een achteruitgang in het functioneren. Anders dan de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis, begint schizofrenie doorgaans op jongere leeftijd, zijn de cognitieve beperkingen minder ernstig, is er een kenmerkend symptoompatroon (bijvoorbeeld wanen en hallucinaties), en is de oorzaak niet gelegen in de directe effecten van een somatische aandoening of het gebruik van middelen of medicatie.
Dissociatieve amnesie of amnesie bij andere dissociatieve stoornissen
Kent meestal een begrensd geheugenverlies dat te maken heeft met psychotraumatische gebeurtenissen en dat niet het gevolg is van de directe effecten van een somatische aandoening of het gebruik van middelen of medicatie.
Depressieve stoornis
Heeft als mogelijk kenmerk deficiënties in het geheugen, moeite met concentreren en andere cognitieve beperkingen, maar anders dan bij de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis verbeteren deze deficiënties wanneer de depressiviteit afneemt, gaan ze gepaard met andere kenmerkende depressieve symptomen en zijn ze niet het gevolg van de directe effecten van een somatische aandoening of het gebruik van middelen of medicatie.
Bipolaire-I-stoornis
Heeft als mogelijk kenmerk chronische cognitieve beperkingen met langetermijngevolgen voor het functioneren. Anders dan de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis begint een bipolaire-I-stoornis doorgaans op jongere leeftijd, zijn de cognitieve beperkingen minder ernstig, is er sprake van manische of depressieve episoden, en is de stoornis niet het gevolg van de directe effecten van een somatische aandoening of het gebruik van middelen of medicatie.
Cognitieve achteruitgang als gevolg van het ouder worden
Heeft als kenmerk cognitieve beperkingen die in overeenstemming zijn met wat gezien de leeftijd van de betrokkene kan worden verwacht en die niet het gevolg zijn van de directe effecten van een somatische aandoening of het gebruik van middelen of medicatie.