Na verloop van tijd kan de betrokkene angstig gaan anticiperen op het probleem. De spreker kan pogingen doen om niet-vloeiende spraak te vermijden door taalmechanismen (zoals het spraaktempo veranderen, bepaalde woorden of klanken vermijden) of door bepaalde spraaksituaties te vermijden, zoals telefoneren of spreken in het openbaar. Stress en angst zijn niet alleen kenmerken van de aandoening, maar blijken daarnaast ook de niet-vloeiende spraak te verergeren.
De stoornis in de spraakvloeiendheid ontstaan in de kindertijd kan ook gepaard gaan met motorische bewegingen (bijvoorbeeld knipperen met de ogen, tics, trillingen in de lippen of het gezicht, schokken van het hoofd, ademhalingsbewegingen, handen dichtknijpen tot een vuist). Kinderen met een stoornis in de spraakvloeiendheid kunnen onderling zeer verschillen in taalvaardigheid, en het is dan ook onduidelijk wat de relatie is tussen deze stoornis en taalvaardigheid. In onderzoek is aangetoond dat kinderen die stotteren anatomische en functionele neurologische verschillen vertonen. Bij jongens en mannen komt stotteren vaker voor dan bij meisjes en vrouwen; de schattingen hierover variëren naargelang de leeftijd en de mogelijke oorzaak van het stotteren. De oorzaken van het stotteren zijn multifactorieel en omvatten ook bepaalde genetische en neurofysiologische factoren.