Het belangrijkste kenmerk van de stoornis in de spraak­vloei­end­heid ontstaan in de kindertijd (ont­wik­ke­lings­stot­te­ren) is een stoornis in het normale vloeiende verloop en het tijdspatroon van de spraak die niet past bij de leeftijd van de betrokkene. Deze stoornis wordt gekenmerkt door frequent herhalen of verlengen van klanken of lettergrepen en door andere vormen van nietvloeiende spraak, waaronder onderbroken woorden (pauzes binnen een woord), circumlocutie (woorden vervangen om problematische woorden te vermijden), woorden die met een overmaat aan lichamelijke spanning worden geproduceerd, en monosyllabische herhaling van hele woorden (bijvoorbeeld ‘Ik-ik-ik-ik zie hem’). De stoornis in de spraak­vloei­end­heid kan school- of werkprestaties of de sociale communicatie belemmeren. De ernst van de stoornis varieert van situatie tot situatie en is vaak ernstiger als er sprake is van druk om te communiceren (bijvoorbeeld iets moeten vertellen op school, een sol­li­ci­ta­tie­ge­sprek). De niet-vloeiende spraak is vaak afwezig als de betrokkene leest, zingt of tegen levenloze voorwerpen of huisdieren spreekt.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.