Stoornis in de spraak­vloei­end­heid ontstaan in de kindertijd (ont­wik­ke­lings­stot­te­ren)

Childhood-onset fluency disorder (stuttering)

F98.5

CLASSIFICATIECRITERIA

AStoornissen in het normale vloeiende verloop en het tijdspatroon van de spraak die niet passen bij de leeftijd van de betrokkene en diens taalvaardigheid, die langere tijd persisteren, en die worden gekenmerkt door het frequent en duidelijk optreden van een (of meer) van de volgende kenmerken:

1Herhalen van klanken en lettergrepen.

2Verlengen van medeklinkers en klinkers.

3Onderbroken woorden (pauzes binnen een woord).

4Hoorbaar of geluidloos blokkeren (opgevulde of onopgevulde pauzes in de spraak).

5Circumlocutie (vervangen van woorden om problematische woorden te vermijden).

6Het produceren van woorden met een overmaat aan lichamelijke spanning.

7Monosyllabische herhaling van hele woorden (bijvoorbeeld ‘Ik-ik-ik-ik zie hem’).

BDe stoornis veroorzaakt vrees om te spreken of beperkingen in de effectieve communicatie, sociale participatie, of school­re­sul­ta­ten of werkprestaties, elk afzonderlijk of in combinatie.

CHet begin van de symptomen ligt in de vroege ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de. (NB Gevallen waarbij de symptomen later beginnen, krijgen de classificatie stoornis in de spraak­vloei­end­heid ontstaan in de volwassenheid, waarvoor dezelfde ICD-10-code geldt.)

DDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan een motorische spraakstoornis of zintuiglijke beperking, niet-vloeiende spraak samenhangend met neurologisch letsel (bijvoorbeeld een beroerte, tumor, trauma) of een andere somatische aandoening, en kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.