De stoornis in de spraakvloeiendheid ontstaan in de kindertijd, of stotteren als ontwikkelingsstoornis, doet zich bij 80 tot 90% van de betrokkenen voor rond het 6de levensjaar, waarbij de beginleeftijd varieert van 2 tot 7 jaar. Het begin kan sluipend of plotseling zijn. Meestal begint de nietvloeiende spraak geleidelijk, waarbij beginklinkers, eerste woorden van een zin of lange woorden worden herhaald. Het kind hoeft zich niet bewust te zijn van het niet-vloeiende karakter van de spraak. Naarmate de stoornis zich verder ontwikkelt, wordt de spraak steeds minder vloeiend en ernstiger verstoord, en doen de problemen zich voor bij de meest betekenisvolle woorden of zinsdelen van een uiting. Naarmate het kind zich meer bewust wordt van de spraakproblemen, kan hij of zij mechanismen ontwikkelen om de niet-vloeiende spraak en emotionele reacties te vermijden, bijvoorbeeld door niet in het openbaar te spreken en door korte en eenvoudige zinnen te gebruiken. Longitudinaal onderzoek toont aan dat 65 tot 85% van de kinderen herstelt, waarbij de ernst van het stotteren rond het 8ste levensjaar kan voorspellen of het kind herstelt of dat de stoornis tot in de volwassenheid voortduurt.