Het hoofdkenmerk van de acute stressstoornis is de ontwikkeling van karakteristieke symptomen die aanwezig zijn gedurende drie dagen tot één maand na blootstelling aan een of meer psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen (criterium A) van hetzelfde type als gebeurtenissen in criterium A van PTSS (zie de subparagraaf ‘Diagnostische kenmerken’ in de voorgaande paragraaf, ‘Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis’).

Het klinische beeld van de acute stressstoornis kan per persoon verschillen, maar betreft meestal een angstrespons met inbegrip van een vorm van herbeleving van of verhoogde reactiviteit op de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Mogelijke uitingen zijn onder andere: intrusieve symptomen, een negatieve stemming, dissociatieve symptomen, ver­mij­dings­symp­to­men en arou­sal­symp­to­men (criterium B1–B14). Bij sommigen kan een dissociatief of afstandelijk ziektebeeld op de voorgrond staan, hoewel deze personen meestal ook sterke emotionele of fysiologische reacties vertonen op aspecten die aan het trauma doen denken. Bij andere personen kan er sprake zijn van een sterke woedereactie, waarbij de reactiviteit wordt gekenmerkt door prikkelbare of mogelijk agressieve reacties. De intrusieve symptomen (criterium B1–B4) zijn dezelfde als die in criterium B1–B5 voor PTSS (zie voor een bespreking van deze symptomen de subparagraaf ‘Diagnostische kenmerken’ in de paragraaf ‘Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis’; let wel dat criterium B4 van de acute stressstoornis bestaat uit wat bij PTSS onder criterium B4 en B5 valt). Mensen met een acute stressstoornis kunnen een aanhoudend onvermogen ervaren om positieve emoties te voelen (in het bijzonder geluk, vreugde, voldoening, of emoties die samenhangen met intimiteit, tederheid of seksualiteit), maar kunnen wel negatieve emoties ervaren, zoals vrees, verdriet, boosheid, schuldgevoelens of schaamte (criterium B5).

Veranderingen in de waarneming zijn onder andere de­per­so­na­li­sa­tie, een gevoel van vervreemding van zichzelf (zoals zichzelf zien vanaf de andere kant van de kamer), of derealisatie, een vervormd beeld van de omgeving (bijvoorbeeld het gevoel hebben dat de dingen in slow motion bewegen; de dingen door een waas zien; geen besef hebben van gebeurtenissen die men normaal gesproken wel zou opmerken) (criterium B6). Sommige personen rapporteren een onvermogen om zich een belangrijk aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis te herinneren, terwijl dat waarschijnlijk wel in het geheugen is opgeslagen. Deze klacht is toe te schrijven aan dissociatieve amnesie en kan niet worden toegeschreven aan hoofdletsel of aan alcohol- of drugsgebruik (criterium B7).

Prikkels die met het trauma samenhangen worden hardnekkig vermeden. De betrokkene doet vaak welbewust pogingen om gedachten over, herinneringen aan of gevoelens over de traumatiserende gebeurtenis te vermijden (bijvoorbeeld door afleiding of onderdrukking, waaronder middelengebruik om herinneringen te onderdrukken) (criterium B8) en om activiteiten, gesprekken, voorwerpen, situaties of mensen te vermijden die herinneringen eraan oproepen (criterium B9).

Het komt veel voor dat personen met een acute stressstoornis problemen hebben met in- en doorslapen, wat kan samenhangen met nachtmerries en gevoelens van onveiligheid, of met een ge­ge­ne­ra­li­seer­de verhoogde arousal die een goede nachtrust in de weg staat (criterium B10). Personen met een acute stressstoornis kunnen prikkelbaar zijn en zelfs bij de minste provocatie verbaal of fysiek agressief gedrag vertonen (zoals tegen mensen schreeuwen, in een vechtpartij verzeild raken, vandalisme) (criterium B11). Een acute stressstoornis wordt vaak gekenmerkt door een verhoogde waakzaamheid voor een mogelijke bedreiging, waaronder dreigingen die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis (bijvoorbeeld na een auto-ongeluk heel gevoelig zijn voor het gevaar dat auto’s of vrachtwagens kunnen opleveren) en dreigingen die niet met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis samenhangen (zoals bang zijn voor een hartaanval) (criterium B12). Con­cen­tra­tie­pro­ble­men (criterium B13) bestaan onder andere uit: moeite met het zich herinneren van bekende zaken (zoals het eigen telefoonnummer) of dagelijkse gebeurtenissen (bijvoorbeeld kortgeleden een stuk in een boek of krant gelezen hebben) of met het richten van de aandacht op zaken die concentratie vergen (zoals gedurende langere tijd een gesprek volgen).

Mensen met een acute stressstoornis kunnen zeer sterk reageren op onverwachte prikkels en een overdreven schrikreactie vertonen of schrikachtig reageren bij harde geluiden (bijvoorbeeld als de telefoon gaat) of onverwachte bewegingen (criterium B14). De schrikreacties zijn onwillekeurig en reflexief (automatisch, onmiddellijk), en prikkels die een overdreven schrikreactie opwekken (criterium B14) zijn soms helemaal niet gerelateerd aan de traumatiserende gebeurtenis.

Het volledige symptomatische beeld dient minimaal drie dagen na de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis aanwezig te blijven, maar mag niet langer dan één maand duren (criterium C). Symptomen die onmiddellijk na de gebeurtenis optreden maar binnen drie dagen verdwijnen, voldoen niet aan de criteria voor een acute stressstoornis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.