Onderscheid met de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis of de acute stressstoornis
Hebben als kenmerk een stressor van variërende intensiteit en waarbij een specifiek reactiepatroon ontbreekt (bijvoorbeeld de intrusieve symptomen). De classificatie aan­pas­sings­stoor­nis wordt gebruikt als de reactie op een extreme stressor niet voldoet aan de criteria voor de post­trau­ma­ti­sche- of de acute stressstoornis (of een andere specifieke psychische stoornis) als het symptoompatroon van de post­trau­ma­ti­sche- of de acute stressstoornis optreedt in reactie op een stressor die niet als psy­cho­trau­ma­tisch wordt beschouwd (bijvoorbeeld verlating door de levenspartner, ontslagen worden).
Heeft als kenmerk intrusieve gedachten over en herinneringen aan de overledene die een jaar na het verlies nog aanhouden. In tegenstelling tot PTSS, waarbij de intrusies betrekking hebben op de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen rondom het verlies, gaan de intrusies bij de persisterende complexe rouwstoornis over de vele aspecten van de overledene, met inbegrip van de positieve aspecten van de relatie en het lijden onder de scheiding.
Worden gekenmerkt door een reactiepatroon dat voldoet aan de criteria voor een andere psychische stoornis in de DSM-5 (bijvoorbeeld de kortdurende psychotische stoornis, de depressieve stoornis).
Heeft gewoonlijk als kenmerk recidiverende intrusieve gedachten, maar deze worden als ongepast ervaren en hangen niet samen met een door de betrokkene ervaren psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.
Heeft als mogelijk kenmerk arousal en dissociatieve symptomen, maar deze treden op tijdens paniekaanvallen en hangen niet samen met een psy­cho­trau­ma­ti­sche stressor.
Heeft als mogelijk kenmerk persisterende symptomen van prikkelbaarheid en angst, maar anders dan bij de post­trau­ma­ti­sche- of de acute stressstoornis hangen deze symptomen niet samen met een psy­cho­trau­ma­ti­sche stressor.
Hebben als kenmerk dissociatieve symptomen die niet nood­za­ke­lij­ker­wijs samenhangen met de blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche stressor (al is dit vaak wel het geval). Dissociatieve symptomen die optreden in het kader van een volledig aanwezige PTSS rechtvaardigen mogelijk het gebruik van de specificatie ‘met dissociatieve symptomen’.
Heeft als mogelijk kenmerk zintuiglijke symptomen, zoals illusies en hallucinaties. Deze moeten worden ge­dif­fe­ren­ti­eerd van de flashbacks bij de post­trau­ma­ti­sche- of de acute stressstoornis, die worden gekenmerkt door zintuiglijke intrusies, bestaand uit delen van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis waarbij de betrokkene vaak helemaal geen besef meer heeft van de omgeving. Deze episoden zijn meestal kortdurend, maar kunnen gepaard gaan met langdurig lijden en arousal. Dergelijke episoden worden over het algemeen niet als een psychotisch verschijnsel beschouwd.
Heeft als kenmerk neurocognitieve symptomen (bijvoorbeeld persisterende desoriëntatie en verwardheid) die na traumatisch hersenletsel ontstaan (bijvoorbeeld na een ongeval met trauma, een bomexplosie, een acceleratie-de­ce­le­ra­tie­trau­ma). Aangezien deze traumatische gebeurtenis ook kan leiden tot de ontwikkeling van een post­trau­ma­ti­sche- of een acute stressstoornis, moeten beide classificaties worden overwogen.
Heeft als kenmerk het fingeren van symptomen. Moet altijd worden uitgesloten als juridische, financiële of andere voordelen een rol spelen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.