Acute stressstoornis

Acute stress disorder

F43.0

CLASSIFICATIECRITERIA

ABlootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld op een (of meer) van de volgende manieren:

1Zelf meemaken van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

2Persoonlijk getuige zijn geweest van de gebeurtenis(sen) terwijl deze anderen overkwam(en).

3Vernemen dat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) een naast familielid of goede vriend(in) is (zijn) overkomen. Bij een feitelijke of dreigende dood van een familielid of vriend(in) moet(en) de gebeurtenis(sen) gewelddadig van karakter zijn of een ongeval betreffen.

4Meemaken van herhaaldelijke of extreme blootstelling aan de afschuwwekkende details van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) (zoals bij hulpverleners die stoffelijke resten moeten verzamelen; politieagenten die herhaaldelijk worden geconfronteerd met de details van kindermisbruik).

Dit criterium beschrijft de soorten blootstelling die kunnen leiden tot de ontwikkeling van symptomen. De tekst is identiek aan die van criterium A voor PTSS zoals hiervoor beschreven. DSM-IV-criterium A2 is verwijderd, omdat de werkgroep vond dat het vereiste dat de reactie van de betrokkene ‘intense angst, hulpeloosheid of afschuw’ moest bevatten te weinig klinisch nut had.

NB Criterium A4 is niet van toepassing op blootstelling via elektronische media, televisie, films of foto’s, tenzij deze blootstelling werkgerelateerd is.

BDe aanwezigheid van negen (of meer) van de volgende symptomen uit één of meer van vijf categorieën: intrusies, negatieve stemming, dissociatie, vermijding, en arousal; die zijn begonnen of verslechterd nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden:

Intrusieve symptomen

1Recidiverende, onvrijwillige en intrusieve pijnlijke herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen). NB Bij kinderen kan repetitief spel voorkomen, waarin thema’s of aspecten van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) tot uiting worden gebracht.

2Recidiverende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen). NB Bij kinderen kan er sprake zijn van beangstigende dromen zonder herkenbare inhoud.

3Dissociatieve reacties (zoals flashbacks) waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) opnieuw plaatsvindt (plaatsvinden). (Dergelijke reacties kunnen zich op een continuüm bevinden, waarbij de extreemste uiting de vorm kan hebben van een volledig gebrek aan besef van de actuele omgeving.) NB Bij kinderen kan het voorkomen dat ze de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen naspelen.

4Intense of langdurige psychische lijdensdruk bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.

Negatieve stemming

5Persisterend onvermogen om positieve emoties te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefdevolle gevoelens te ervaren).

Dissociatieve symptomen

6Een veranderd gevoel van de realiteit van de omgeving of de betrokkene zelf (zoals zichzelf zien vanuit het standpunt van een ander; als in een waas zijn; de tijd lijkt te vertragen).

7De betrokkene kan zich een belangrijk aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) niet herinneren (meestal door dissociatieve amnesie en niet door andere factoren, zoals hoofdletsel, of alcohol- of drugsgebruik).

Ver­mij­dings­symp­to­men

8Pogingen tot vermijding van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of sterk samenhangend met, de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

9Pogingen tot vermijding van externe aspecten die aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties), en die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens oproepen over, of sterk samenhangen met, de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

Arou­sal­symp­to­men

10Verstoring van de slaap (zoals moeite met in- of doorslapen, of onrustige slaap).

11Prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen.

12Hypervigilantie.

13Con­cen­tra­tie­pro­ble­men.

14Overdreven schrikreacties.

Voor de classificatie zijn negen of meer van veertien symptomen vereist die ruwweg overeenkomen met de symptomen die hiervoor bij PTSS zijn beschreven (criteria B, C, D en E).

CDe duur van de stoornis (symptomen in criterium B) is drie dagen tot één maand na blootstelling aan het trauma. NB De symptomen moeten direct na het psychotrauma ontstaan, maar om aan de criteria voor de stoornis te voldoen moeten deze drie dagen tot een maand aanhouden.

In plaats van een duur van twee dagen, zoals in de DSM-IV (criterium G), moet volgens dit criterium het volledige symptoombeeld tot minstens drie dagen na een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis aanwezig zijn, maar niet langer dan één maand na de gebeurtenis aanhouden. Het doel van dit criterium is om de acute stressstoornis te onderscheiden van PTSS, die langer dan één maand duurt.

DDe stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

De symptomen moeten significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken. De extreme mate van angst kan iemands slaap, energieniveau en vermogen om taken uit te voeren verstoren. Vermijding bij de acute stressstoornis kan leiden tot het zich algeheel terugtrekken uit veel situaties die als potentieel bedreigend worden gezien, wat kan resulteren in het niet op komen dagen bij medische consulten, vermijden van autorijden en ziekteverzuim.

EDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening (zoals licht psy­cho­trau­ma­tisch hersenletsel) en kan niet beter worden verklaard door een kortdurende psychotische stoornis.

De symptomen dienen niet toegeschreven te kunnen worden aan de fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening. Wanneer er in het kader van een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis hersenletsel ontstaat, kunnen er symptomen van de acute stressstoornis optreden. Het is van belang om zich te realiseren dat de gebeurtenis die het letsel heeft veroorzaakt ook psy­cho­trau­ma­ti­sche gevolgen kan hebben en dat de symptomen van een post­con­cus­sie­syn­droom en van een acute stressstoornis elkaar niet uitsluiten en gelijktijdig kunnen optreden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.