Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
De differentiële diagnostiek van enuresis is gericht op het uitsluiten van de aanwezigheid van somatische aandoeningen of middelen die de aandrang tot urineren of een verhoogde urineproductie kunnen veroorzaken, zoals een onbehandelde diabetes insipidus of diabetes mellitus, acute urineweginfecties, vaginale reflux, of een neurogene blaas door pathologie van het ruggenmerg (ook ‘luie blaas’; detrusor-sfincter dyssynergie en syndroom van Hinman). Blootstelling aan medicijnen zoals atypische antipsychotica, lithiumcarbonaat en diuretica moet worden uitgesloten.
Kinderen met enuresis kunnen meer gedragsproblemen vertonen dan andere kinderen. Ze kunnen ook ontwikkelingsproblemen ervaren, zoals leerstoornissen, vertraagde spraakontwikkeling en een achterstand in de fijne en grove motoriek. Bij kinderen met een andere ontwikkelingsachterstand is het bij de diagnosestelling belangrijker om de ontwikkelingsleeftijd van het kind vast te stellen dan alleen de chronologische leeftijd.
De classificatie enuresis wordt niet toegekend als er sprake is van een neurogene blaas; een somatische aandoening die polyurie (vaak plassen) of mictiedrang veroorzaakt (bijvoorbeeld onbehandelde diabetes mellitus of diabetes insipidus); tijdens een acute urineweginfectie; of tijdens de behandeling met een antipsychoticum. Maar als de urine-incontinentie frequent is opgetreden vóór de ontwikkeling van de somatische aandoening of als die aanhoudt na het starten van een passende behandeling, dan is een classificatie enuresis wel degelijk verenigbaar met dergelijke aandoeningen.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.