Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Een moeder meldt dat haar 10-jarige zoon Danny overdag geregeld in zijn broek plast. De clinicus begint open vragen te stellen aan de jongen, om de duur, de frequentie en de aard van de klachten vast te stellen: ‘Hoelang is dit in je broek plassen al een probleem? Zijn er momenten waarop je droog blijft? Wat gebeurt er als je een ongelukje hebt?’ Het kind zelf, of een van de ouders, zal doorgaans melden dat het nooit volledig zindelijk is geweest of dat het overdag droog blijft, maar ’s nachts nog steeds in zijn bed plast. De exacte frequentie van het in bed of kleding plassen kan variëren, maar om aan de DSM-5-criteria te voldoen, moeten incidenten zich gedurende drie opeenvolgende maanden minstens twee keer per week voordoen, of significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het functioneren in het sociale, onderwijs- en thuisdomein.
De onderzoeker betrekt zowel Danny als zijn moeder in de ondervraging, niet alleen om een relatie op te bouwen met het kind, maar ook om de problematiek helder te krijgen. De onderzoeker vraagt: ‘Hoe doet Danny het in het algemeen? Hoe gaat het op school? Hoe zou Danny’s leerkracht hem omschrijven? Hoeveel vrienden heb je, Danny? Heb je een beste vriend? Wat voor soort dingen vind je leuk om te doen met je vrienden? Word je weleens uitgenodigd om bij iemand te komen logeren? Ga je dan? Vertel eens iets over thuis; heb je weleens ruzie met je ouders of broers en zussen? Maak je je nog ergens anders zorgen over?’ Het is vaak handig om de anamnese deels met de ouder en het kind samen op te nemen. Maar ook is het goed om het kind of de ouder alleen te zien, in het bijzonder als het gesprek lijdensdruk lijkt te veroorzaken.
De onderzoeker stelt ook specifieke vragen over somatische aandoeningen of medicijnen die urine-incontinentie kunnen veroorzaken: ‘Hoe is het met Danny’s lichamelijke gezondheid? Epileptische aanvallen? Suikerziekte? Letsel aan de ruggengraat? Danny, neem je geregeld medicijnen in?’ Ook vraagt de clinicus aan de moeder of de jongen diuretica, lithium of antipsychotica neemt, of daar toegang toe heeft.
De classificatie van enuresis volgens de DSM-5 is relatief eenvoudig. De onderzoeker dient te bepalen of het kind 5 jaar of ouder is (of een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau heeft) en of de symptomen in een periode van drie maanden minstens twee keer per week aanwezig zijn, of significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken. Ook moet de onderzoeker bevestigen dat er geen sprake is van een somatische aandoening of van blootstelling aan middelen die de symptomen van urine-incontinentie beter kan verklaren. Het is echter belangrijk om op te merken dat bij een kind dat een acute urineweginfectie heeft of een diureticum gebruikt, ook enuresis kan worden vastgesteld, mits de symptomen vóór de start met de medicatie of het begin van de ziekte aanwezig waren.