Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
De classificatie enuresis wordt toegekend op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek, laboratoriumgegevens en beeldvormend onderzoek. Door een zorgvuldige anamnese moeten de duur, timing en ernst van de klachten in kaart worden gebracht; hetzelfde geldt voor verergerende en verbeterende factoren, en de aanwezigheid van eventuele langere periodes van droog blijven. Hoeveel keer per dag leegt het kind zijn blaas? Hoe staat het met de stoelgang van het kind? Het is belangrijk om te bepalen of de enuresis alleen ’s nachts plaatsvindt of ook overdag, of de incontinentie incidenteel of continu optreedt, en of er andere urogenitale, gastro-intestinale of neurologische symptomen aanwezig zijn. Is er een voorgeschiedenis van urineweginfecties of andere somatische aandoeningen? Gebruikt het kind medicijnen of heeft het toegang tot medicatie die thuis bewaard wordt, zoals diuretica, lithium of atypische antipsychotica? Aan verzorgers moet worden gevraagd welke aanpak en houding ze hebben bij de zindelijkheidstraining, hun reactie op plasongelukjes, en of er sprake is van recente veranderingen of spanningen binnen het gezin. Hoe doet het kind het op school en op sociaal gebied? Zijn er nog andere zorgen over de ontwikkeling (grove of fijne motoriek, leren, spraak, groei)? Artsen dienen op een sensitieve maar toch directe wijze vragen te stellen over eventuele mishandeling of misbruik.
Lichamelijk onderzoek moet in het algemeen door de kinderarts worden uitgevoerd en niet door een psychiater. Het dient zich te richten op de urogenitale, gastro-intestinale en neurologische systemen. De rug moet worden onderzocht op moedervlekken of plukjes haar die zouden kunnen wijzen op een onderliggende pathologie van het ruggenmerg. De buik moet worden onderzocht op de aanwezigheid van een opgezwollen blaas of overmatige ontlasting, wat duidt op obstipatie en vaak samenhangt met enuresis.
In gevallen van primaire nachtelijke enuresis is een urineonderzoek vaak de enige diagnostische test die nodig is. Als de resultaten niet bijzonder zijn, is er geen noodzaak om aanvullende onderzoeken aan te vragen. De aanwezigheid echter van een urineweginfectie bij een jongen, een febriele urineweginfectie bij een meisje, of terugkerende afebriele urineweginfecties bij beiden, is een reden voor echografie van de nieren en de blaas. Afwijkingen duiden op de noodzaak van verder onderzoek, zoals een mictiecysto-urethrografie.
In de broek plassen overdag vraagt iets meer onderzoek om te bepalen of het onderliggende probleem te maken heeft met het opslaan van urine of met het legen van de blaas. De clinicus zou een urineonderzoek en urinekweek moeten laten doen, en tevens een blaasecho om het urineresidu na het legen van de blaas vast te stellen en een uroflowtest om de kwaliteit en kwantiteit van de urinestroom te beoordelen. Bepaalde aspecten van de anamnese en het lichamelijk onderzoek kunnen een aanwijzing zijn voor een MRI-scan, intraveneuze pyelografie of een CT-scan. Bijvoorbeeld, constant ‘nadruppelen’ kan duiden op de aanwezigheid van een ectopisch ureter, terwijl verdachte lichamelijke bevindingen op het tetheredcord-syndroom (gekluisterd-ruggenmergsyndroom) kunnen wijzen.