Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
In de DSM-5 verschilt het profielsymptoom van de depressieve stoornis van dat van de aanpassingsstoornissen, zelfs wanneer deze ontstaat na een stressor. Daarom dient bij een patiënt die aan de criteria voor de depressieve stoornis voldoet, geen aanpassingsstoornis vastgesteld te worden.
Een aanpassingsstoornis kan worden gedifferentieerd van PTSS en de acute stressstoornis door de aard van de stressor. Bij aanpassingsstoornissen voldoet de stressor niet aan de vereisten in criterium A voor PTSS en de acute stressstoornis. Bovendien kan een aanpassingsstoornis onmiddellijk worden vastgesteld na blootstelling aan de stressor, en aanhouden tot zes maanden erna, terwijl een acute stressstoornis zich direct na de psychotraumatische gebeurtenis ontwikkelt en een duur heeft van drie dagen tot één maand, en PTSS na één maand. Een aanpassingsstoornis moet worden overwogen wanneer een patiënt niet volledig aan de diagnostische vereisten voor PTSS of de acute stressstoornis voldoet.
Om persoonlijkheidsstoornissen van een aanpassingsstoornis te differentiëren is een grondig onderzoek vereist naar het functioneren van de betrokkene en naar zijn of haar psychiatrische symptomen gedurende het hele leven. Als een aanpassingsstoornis wordt vastgesteld terwijl er al een persoonlijkheidsstoornis aanwezig is, is het van belang om na te gaan of aan de criteria voor een aanpassingsstoornis wordt voldaan. Daarbij dient de lijdensdruk ernstiger te zijn dan die veroorzaakt door de symptomen van de persoonlijkheidsstoornis.
Volgens de DSM-5 bestaat de classificatie ‘psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden’ uit gedrag en andere factoren die een somatische aandoening verergeren, terwijl een aanpassingsstoornis een psychologische reactie is op de stressor (bijvoorbeeld een somatische aandoening). Een aanpassingsstoornis kan zich ontwikkelen bij elke lichamelijke aandoening en dan het beloop van de ziekte wijzigen. Daarom kan gedrag zoals het missen van afspraken, niet-naleven van de behandeling, en een gebrekkige communicatie met medisch personeel een indicatie zijn van een aanpassingsstoornis.
Een aanpassingsstoornis is van normatieve stressreacties te onderscheiden door het bepalen van de hoogte van de lijdensdruk. Clinici zouden moeten beoordelen of de stressreacties (bijvoorbeeld stemming, gedrag, functioneren) ernstiger zijn dan wat normaal in respons op een stressvolle gebeurtenis te verwachten is. Bij het vaststellen van wat normatieve reacties zijn is het van belang om culturele factoren mee te wegen.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.