Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
Een borderline-persoonlijkheidsstoornis kan via een groot scala aan verschillende gedragingen of symptomen tot uiting komen. Deze moeten worden onderscheiden van andere psychische problemen, die er vergelijkbaar uit kunnen zien. De sterke emotionele inhoud van een borderlinebeeld kan bijvoorbeeld onterecht worden aangezien voor een episode van een stemmingsstoornis. Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis kunnen in een poging tot beschrijving van hun affectieve instabiliteit, intense boosheid of impulsiviteit klachten beschrijven die klinken alsof ze passen bij een depressieve episode of een (hypo)manische episode. Een bipolaire-stemmingsstoornis kan onterecht worden overwogen als een patiënt frequente, intense ‘pieken en dalen’ beschrijft, terwijl die emotionele toestanden in feite vaak instabiel zijn, en vaak meer een gevolg van stemmingsinstabiliteit. De duur van de klachten is een essentieel aspect om te kunnen bepalen of er sprake is van episodische, pathologische stemmingstoestanden zoals bij een stemmingsstoornis. Een borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt over het algemeen meer gekenmerkt door chronische stemmingsinstabiliteit, terwijl stemmingsstoornissen worden gekenmerkt door langdurige episoden van stemmingspathologie (vaak onderbroken door tussenliggende perioden zonder klachten). De differentiële diagnostiek omvat behalve stemmingsstoornissen ook andere persoonlijkheidsstoornissen, persoonlijkheidsverandering door een somatische aandoening, stoornissen in het gebruik van een middel en identiteitsproblemen.
Een borderline-persoonlijkheidsstoornis kan samen optreden met andere psychische stoornissen of stoornissen in het gebruik van een middel. Stemmingsstoornissen, angststoornissen en eetstoornissen zijn veelvoorkomende comorbide aandoeningen die moeten worden onderkend, maar voor elk daarvan geldt dat ze ook onterecht kunnen worden vastgesteld terwijl het beeld in werkelijkheid wordt verklaard door een borderline-persoonlijkheidsstoornis. De clinicus moet eerst vaststellen of is voldaan aan de algemene definitie van een persoonlijkheidsstoornis en vervolgens systematisch onderzoek doen naar de specifieke criteria voor een borderline-persoonlijkheidsstoornis, en daarnaast niet uit het oog verliezen dat er ook sprake kan zijn van andere pathologische verschijnselen, zoals horend bij een eetstoornis of middelenmisbruik. Op deze manier wordt het mogelijk om te bepalen of een patiënt nog andere stoornissen heeft die voldoen aan de criteria voor een DSM-5-stoornis. Mocht hiervan sprake zijn, dan moeten deze andere stoornissen worden vermeld.
Er zijn ook patiënten die alleen in specifieke stressvolle situaties maladaptieve copingstrategieën en gedrag vertonen die lijken op een borderline-persoonlijkheidsstoornis; in dat geval is het gedrag niet duurzaam aanwezig en is de classificatie borderline-persoonlijkheidsstoornis dus niet gerechtvaardigd.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.