Borderline-persoonlijkheidsstoornis
Gabriëlla Hendriksen is een 26-jarige alleenstaande jonge vrouw die bij de eerstehulppost binnenkomt na het slikken van twintig tabletten van haar antidepressieve medicatie. Ze vertelt dat ze de pillen ineens heeft ingenomen na een heftige ruzie met haar vriend, met wie ze ‘het nu voor de allerlaatste keer’ heeft uitgemaakt. Direct na het slikken van de pillen heeft mevrouw Hendriksen haar vriend gebeld en hij is met haar meegekomen naar de eerstehulppost. Gabriëlla vertelt dat zij en haar vriend een ‘knipperlichtrelatie’ hebben — ze zegt dat ze wel altijd het gevoel heeft dat ze hem ‘nodig heeft’, maar dat ze ‘heel veel ruzie hebben’ en het nooit langer dan een paar weken ‘goed weten te houden’. Haar relaties met haar ouders en broers en zussen zijn voor het merendeel gespannen, maar ze stelt dat haar zus, nu ze ‘elkaar weer zien’, haar ‘beste vriendin’ is. Gabriëlla zegt dat ze de overdosis heeft genomen omdat ze ‘het niet aankan om alleen te zijn’. Uit zichzelf vertelt ze dat ze buiten de relatie met haar vriend nog ‘met veel andere mannen uitgaat’ en in perioden dat er problemen zijn met haar vriend een patroon vertoont van riskant seksueel gedrag. Het komt vele malen per maand voor dat ze in korte tijd extreem veel alcohol drinkt (‘alleen als ik echt heel kwaad ben’). Ook vertelt Gabriëlla dat ze al sinds haar tienerjaren ‘problemen met boosheid’ heeft en ‘altijd suïcidaal’ is. Ze is al vele malen in therapie geweest, bij veel verschillende therapeuten, omdat ze geen therapeut kan vinden die haar ‘begrijpt’. ‘In eerste instantie lijken ze me wel te snappen — en te begrijpen waar ik doorheen ga — maar op een gegeven moment haken ze altijd af.’
Gedurende het hele gesprek is Gabriëlla Hendriksen zeer emotioneel en labiel in haar affect, dat varieert van intense woede tot huilen. De onderzoeker heeft het gevoel dat haar reacties veel heftiger zijn dan de besproken onderwerpen kunnen verklaren. Uit haar medische dossier blijkt dat ze het afgelopen jaar al vijf keer eerder bij de eerste hulp is terechtgekomen vanwege een ‘overdosis’ of ‘suïcidale gedachten’. Steeds was de overdosis laag genoeg om haar na onderzoek naar huis te sturen en was opname op de intensive care niet nodig.
De gedachten, reacties en het gedrag van Gabriëlla Hendriksen sluiten goed aan bij de beschrijving in de DSM-5 van een borderline-persoonlijkheidsstoornis, namelijk een ‘pervasief patroon van instabiliteit van de interpersoonlijke relaties, het zelfbeeld en van affecten, en duidelijke impulsiviteit, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten’ (Handboek, p. 872). Haar levensverhaal voldoet aan ten minste vijf van de negen DSM-5-criteria voor de stoornis. Gabriëlla vertelt over ervaringen die passen binnen de DSM-5-criteria voor de borderline-persoonlijkheidsstoornis, zoals pogingen om verlating te vermijden, intense interpersoonlijke relaties, impulsiviteit, suïcidale gestes, affectieve instabiliteit en ongepaste boosheid. Dit patroon is pervasief aanwezig, in meerdere sociale settings, en heeft duidelijk een negatieve invloed op Gabriëlla’s vermogen om een compleet, gelukkig en gezond leven te leiden.
Zij beschrijft een patroon van zelfbeschadigende impulsen en recidiverende suïcidale gedragingen. Hoewel ze tot nu toe nog geen levensbedreigende overdosis heeft genomen, loopt ze wel het risico vroegtijdig te overlijden. Het feit dat ze tot nu toe nog geen zelfbeschadigende actie heeft ondernomen met ernstige gevolgen voor haar gezondheid of orgaanschade als gevolg, is geen enkele reden voor de clinicus om niet te vrezen voor ernstige uitkomsten zoals een geslaagde suïcide. In het onderzoek van iemand met een borderline-persoonlijkheidsstoornis moet grondig worden gekeken naar impulsiviteit en het gevaar als gevolg daarvan. Hoewel patiënte deze symptomen vertoont in een duurzaam en pervasief patroon, moet de clinicus evengoed ook nagaan of er niet een andere psychische stoornis of probleem met middelenmisbruik speelt dat het patroon in deze casus beter verklaart.