De 69 jaar oude heer Ytsma vertelt dat zijn geheugen slechter lijkt dan het vroeger was. De onderzoeker vraagt: ‘Kunt u voorbeelden geven van wat u bedoelt?’ De heer Ytsma legt uit dat het voor hem moeilijk is om zich te concentreren op het autorijden als de radio aanstaat of als een passagier tegen hem praat. Hij stelt ook dat hij het lastig vindt om een gesprek te blijven volgen, hoewel hij wel begrijpt wat mensen tegen hem zeggen. De onderzoeker vraagt: ‘Hoelang heeft u deze klachten al?’ De heer Ytsma antwoordt dat dat bijna een jaar het geval is. Als de onderzoeker hem vraagt: ‘Is er misschien een bepaalde gebeurtenis geweest waarna deze problemen zijn ontstaan?’, vertelt hij dat hij op een dag, bijna een jaar geleden, moeite kreeg met lopen en dat zijn zicht wazig was. Op de vraag of hij op dat moment een arts heeft geraadpleegd, antwoordt hij dat zijn dokter dacht dat hij misschien een ‘miniberoerte’ heeft gehad en dat die hem een ‘plaspil’ (diureticum) voorgeschreven heeft. Desgevraagd legt zijn vrouw uit dat de heer Ytsma over het algemeen langzamer lijkt te zijn dan hij vroeger was, maar dat hij zich dingen goed kan herinneren als ze met hem in een rustige omgeving praat, waar weinig afleiding is (bijvoorbeeld nadat de televisie is uitgezet). De onderzoeker vraagt aan mevrouw Ytsma of haar man moeite heeft met het nemen van beslissingen (bijvoorbeeld wat hij thuis of in een restaurant wil eten), en of zijn gedrag is veranderd (bijvoorbeeld of hij ongepaste dingen tegen mensen zegt). Zij antwoordt dat hij meer tijd nodig heeft om een beslissing te nemen, maar dat er geen problemen zijn met zijn sociale gedrag. Als hun tot slot wordt gevraagd of de problemen van de heer Ytsma sinds de ‘miniberoerte’ stabiel zijn gebleven of verslechterd zijn, vertelt zowel de heer Ytsma als zijn vrouw dat die hetzelfde zijn gebleven.
Dit gesprek toont een aantal belangrijke aspecten van het opnemen van de anamnese. Ten eerste vermeldt de heer Ytsma, als hem wordt gevraagd om voorbeelden, geen geheugenproblemen die kenmerkend zijn voor de ziekte van Alzheimer, maar eerder problemen met de complexe aandacht (bijvoorbeeld moeite hebben met autorijden terwijl er andere zaken om aandacht vragen) en met een vertraagde verwerkingssnelheid. Zijn moeite met het volgen van gesprekken lijkt meer te maken te hebben met een lagere verwerkingssnelheid dan met symptomen van afasie. Hij legt verband tussen het begin van de symptomen en een vasculaire gebeurtenis die door zijn huisarts is beschreven als een lichte beroerte. Zijn vrouw meldt bijkomende symptomen van disfuncties in het executieve functioneren (moeite hebben met beslissingen nemen), maar geen problemen met het geheugen — wat kenmerkend zou zijn voor de ziekte van Alzheimer. Ten slotte leidt het stabiele beloop van de beperkingen de onderzoeker naar de classificatie van een vasculaire NCS in plaats van van een degeneratieve aandoening. Indien mogelijk moet de clinicus de heer Ytsma verwijzen voor beeldvormend en neuropsychologisch onderzoek om deze classificatie te bevestigen.
Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.