Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Aangezien het beeld van vasculaire NCS heterogeen is, zal de werkwijze bij de classificatie ook aanzienlijk verschillen van persoon tot persoon. Mensen kunnen zich melden met geleidelijk ontwikkelde cognitieve symptomen die samen kunnen hangen met onderliggende ce­re­bro­vas­cu­lai­re aandoeningen, of met ernstige cognitieve symptomen van een recente beroerte. Op een psychiatrische polikliniek of bij een ggz-instelling zal de clinicus eerder mensen tegenkomen van wie de onderliggende ce­re­bro­vas­cu­lai­re aandoening minder duidelijk is ge­di­a­gnos­ti­ceerd. Als er bij de persoon in kwestie, een mantelzorger of de clinicus een vermoeden is van cognitieve achteruitgang, dan dienen de symptomen en de medische voor­ge­schie­de­nis grondig te worden beschreven. In het geval de symptomen in de tijd kunnen worden gekoppeld aan een bepaalde vasculaire gebeurtenis (bijvoorbeeld: ‘toen mijn rechterhand gevoelloos raakte’ of een ge­di­a­gnos­ti­ceer­de beroerte), dan dient een vasculaire oorzaak te worden overwogen. Als er aanwijzingen zijn dat de symptomen stabiel zijn gebleven en er geen sprake is van een voortdurende achteruitgang, dan duidt dit ook op een vasculaire aandoening als etiologie. Hetzelfde geldt als de klachten meer het gevolg lijken te zijn van een aan­dachts­stoor­nis, een trage ver­wer­kings­snel­heid of een beperking in het executieve functioneren, en minder samen lijken te hangen met het geheugen. Mensen hebben soms echter beroertes in het cerebrale vaatstelsel dat de hippocampus voedt, wat tot ge­heu­gen­be­per­kin­gen kan leiden die vergelijkbaar zijn met die bij de ziekte van Alzheimer. Indien mogelijk dient gebruik te worden gemaakt van beeldvormend onderzoek om de classificatie te bevestigen. Als er belangrijke vasculaire laesies worden aangetroffen, maar er weinig tekenen zijn van atrofie, dient er gedacht te worden aan een vaatziekte. De clinicus moet ook altijd in gedachten houden dat de NCS van veel, zo niet de meeste, mensen meer dan één etiologie heeft, en dat de ziekte van Alzheimer en vasculaire aandoeningen zeer vaak comorbide voorkomen. In dat geval worden bij beeldvormend onderzoek zowel atrofie als vasculaire beschadigingen gezien.

Clinici kunnen ook mensen tegenkomen die in het ziekenhuis zijn opgenomen voor een beroerte, maar van wie het cognitieve functioneren nooit eerder formeel is beoordeeld. Het is heel gebruikelijk dat familieleden na een beroerte grote veranderingen bij hun geliefde bemerken, maar dat ze deze beperkingen niet goed begrijpen. Als een clinicus een voor­ge­schie­de­nis vindt van een beroerte in het recente verleden die temporeel in relatie lijkt te staan met het begin van de beperkingen, dan moet de persoon in kwestie worden doorverwezen naar een neuroloog en/of neuropsycholoog voor een beoordeling en diagnose. Patiënten en hun mantelzorgers zijn vaak erg dankbaar als de clinicus informatie geeft over de beperkingen en de nog aanwezige mogelijkheden om tijdens de revalidatie in te zetten.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.