Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
Omdat de differentiële diagnostiek van bipolaire-stemmingsstoornissen ook stoornissen omvat die door een medicijn of middel (bijvoorbeeld alcohol of drugs) of door een somatische aandoening (meestal neurologische en endocriene stoornissen) worden veroorzaakt, is het belangrijk om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren naar middelengebruik en somatische klachten. De unipolaire depressieve stoornis is de meest voorkomende onjuiste classificatie. Mensen die zich met een depressie melden, moeten zorgvuldig worden beoordeeld op een voorgeschiedenis van eerdere manische of hypomanische episoden (inclusief een heteroanamnese). Mensen bij wie de depressieve klachten voor de leeftijd van 25 jaar zijn begonnen en die een voorgeschiedenis hebben van meerdere, snel opkomende en zich snel oplossende depressies, ongunstige ervaringen met antidepressiva (bijvoorbeeld verergering van de depressiviteit of een switch naar een verhoogde stemming) en een familiegeschiedenis met bipolaire-stemmingsstoornissen, hebben een verhoogd risico op een bipolaire-stemmingsstoornis. Omdat manische episoden bij de bipolaire-I-stoornis of depressieve episoden bij de bipolaire-I- of de bipolaire-II-stoornis psychotische kenmerken kunnen hebben, moeten psychotische stoornissen zoals schizofrenie worden uitgesloten — bij de psychotische stoornissen zijn de psychosesymptomen chronischer en prominenter dan de stemmingssymptomen.
De bipolaire-II-stoornis onderscheidt zich vooral van de bipolaire-I-stoornis doordat de laatste stoornis, maar niet de eerste, meerdere ernstige episoden omvat van verhoogde stemming (met psychose, ziekenhuisopname of ernstige beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren). Symptomen van een cyclothyme stoornis kunnen overlappen met die van cluster B-persoonlijkheidsstoornissen, maar de instabiliteit van de stemming is daar prominenter dan een verstoring van de identiteit of van de interpersoonlijke relaties. ADHD komt het meest voor bij kinderen en adolescenten van het mannelijke geslacht en het gaat daarbij om chronische (in plaats van episodische) problemen in samenhang met een stoornis in de aandacht en het gedrag (in plaats van in de stemming). Omdat angst gepaard kan gaan met prikkelbaarheid/psychomotorische versnelling (en dan lijkt op een verhoogde stemming) en/of met demoralisatie/psychomotorische vertraging (en dan lijkt op depressiviteit), is het belangrijk om angststoornissen en de posttraumatische-stressstoornis te onderscheiden van bipolaire-stemmingsstoornissen. Ook het gebruik van bepaalde middelen kan leiden tot stemmingssymptomen, terwijl het staken van het gebruik van dergelijke middelen depressieve symptomen kan opleveren. Om deze reden is het belangrijk om stoornissen in het gebruik van een middel te onderscheiden van bipolaire-stemmingsstoornissen.
Tot slot hebben patiënten met bipolaire-stemmingsstoornissen vaak een comorbide angststoornis, ADHD en/of een stoornis in het gebruik van een middel, zodat het van belang is om de mogelijkheid te overwegen dat er een of meer comorbide stoornissen zijn.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.