Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Bella Waanders, een 18-jarige tweedejaars aan het hbo, klaagt dat ze sinds een maand somber is als gevolg van leerstress (vanwege aankomende tentamens). De onderzoeker stelt vast dat Bella last heeft van aanhoudende bedroefdheid, anhedonie, insomnia, een slechte concentratie (de aandacht niet bij het studeren kunnen houden), en passieve gedachten aan de dood. Bella geeft aan dat deze symptomen grotendeels in de ochtend het ergst zijn en tot in de middag aanhouden. De onderzoeker vraagt daarop: ‘Is je stemming in de namiddag en ’s avonds heel anders?’ Bella antwoordt daarop dat ze later in de middag en ’s avonds meer prikkelbaar is dan treurig. Vervolgens vraagt de clinicus: ‘Hoe breng je ’s avonds meestal je tijd door?’ De patiënte antwoordt dat ze tot laat in de avond met haar studie bezig is (mogelijk toegenomen doelgerichte activiteit) en probeert te multitasken, maar dat het haar niet lukt om haar huiswerk af te maken omdat ze moeite heeft om haar gedachten erbij te houden (mogelijk verhoogde afleidbaarheid), vaak van haar bureau opstaat om te gaan ijsberen (mogelijk psychomotorische agitatie), en het grootste deel van de rest van de nacht seks heeft met een getrouwde masterstudent (mogelijk toegenomen doelgerichte activiteit met kans op pijnlijke gevolgen). Op de vraag ‘Hoeveel slaap krijg je gemiddeld per nacht?’ antwoordt Bella dat ze slechts drie uur per nacht slaapt, wat aanzienlijk minder is dan de acht uur die ze voorheen sliep. De clinicus vraagt: ‘Ben je overdag slaperig?’ Ze zegt dat ze overdag klaarwakker is en geen dutjes doet (wat op een verminderde behoefte aan slaap duidt). Ze gebruikt geen cafeïne of andere middelen. Vervolgens vraagt de clinicus: ‘Hoelang voel je je al zo in de namiddag en ’s avonds?’ Bella vertelt dat dit al een maand aan de gang is. Ook antwoordt ze ontkennend op vragen van de clinicus of zij een voorgeschiedenis van psychose heeft, weleens is opgenomen in een psychiatrische kliniek en of ze weleens ernstige gevolgen heeft ondervonden van de eerdergenoemde symptomen van een verhoogde stemming. Tot slot vraagt de clinicus: ‘Heeft iemand in je familie een bipolaire-stemmingsstoornis of last van manische depressiviteit?’, waarop Bella antwoordt dat haar vader enkele jaren lang met tussenpozen lithium heeft genomen voordat hij ervandoor ging met zijn secretaresse toen zij 13 jaar oud was.
Bella Waanders presenteert zich met klachten van depressieve aard en voldoet aan de criteria voor een depressieve episode, maar ook aan de criteria voor een hypomanische episode. Bij een beperktere beoordeling kan een clinicus alleen een actuele depressieve episode (of eventueel een depressieve episode met gemengde kenmerken) vaststellen, die in overeenstemming is met de classificatie depressieve stoornis. Door echter zorgvuldig door te vragen, wordt het duidelijk dat Bella waarschijnlijk ook aan de criteria voor een hypomanische episode voldoet, wat overeenkomt met de classificatie bipolaire-II-stoornis. Bij gemengde symptomen van depressiviteit en een verhoogde stemming kan er sprake zijn van ultradian cycling (i.e., stemmingswisselingen binnen een dag), zoals bij Bella het geval is, of van meer chronische gemengde symptomen die gelijktijdig optreden. De DSM-5 bevat geen informatie over patiënten die gelijktijdig een depressieve en een hypomanische episode hebben, waardoor de mogelijkheid bestaat om beide te classificeren. Bij patiënten met gelijktijdig een depressieve en een manische episode moet echter een manische episode met gemengde kenmerken worden geclassificeerd, aangezien een manische episode immers altijd ernstig is.