Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Bipolaire-stemmingsstoornissen worden vaker ondergeclassificeerd (bijvoorbeeld bij mensen met een bipolaire-stemmingsstoornis die denken dat ze alleen depressief zijn) dan overgeclassificeerd (bijvoorbeeld bij mensen met een cluster B-persoonlijkheidsstoornis die denken dat ze alleen frequente stemmingswisselingen hebben). Het correct classificeren van een bipolaire-stemmingsstoornis staat of valt met het nauwkeurig vaststellen van perioden van een verhoogde stemming (i.e., hypomanische of manische episoden). Mensen met een bipolaire-stemmingsstoornis presenteren zich vaker met symptomen van depressiviteit, die ze gemakkelijker zelf opmerken, dan van een verhoogde stemming. Het is daarom erg lastig om een bipolaire-stemmingsstoornis (middels het vaststellen van episoden met een verhoogde stemming) te onderscheiden van een unipolaire depressieve stoornis. Patiënten definiëren de termen stemmingswisselingen, rapid cycling of zelfs manie of hypomanie anders dan is gedaan in de DSM-5, waardoor verwarring kan ontstaan.
Manische episoden zijn per definitie ernstig (i.e., ze leiden tot psychose, ziekenhuisopnamen of ernstige functionele beperkingen) en komen voor bij de bipolaire-I-stoornis (maar niet bij de bipolaire-II-stoornis of unipolaire depressieve stoornis). Een voorgeschiedenis met een faillissement, veroordeling of meerdere mislukkingen op werk- of relationeel gebied die samengingen met episoden van verhoogde stemming, duidt erop dat minstens één van dergelijke episoden ernstig genoeg is geweest om als manisch beschouwd te worden, in plaats van slechts hypomanisch.
Hypomanische episoden zijn per definitie minder ernstig (i.e., ze veroorzaken geen psychose, ziekenhuisopnamen of ernstige beperkingen in het functioneren). Bij een bipolaire-II-stoornis dienen ze altijd op te treden, bij een bipolaire-I-stoornis kúnnen ze optreden, maar bij een unipolaire depressieve stoornis niet. Tijdens een hypomanische episode kan het functioneren verbeteren in plaats van verslechteren, wat de detectie lastiger maakt. Een verminderde behoefte aan slaap moet worden onderscheiden van insomnia. Een verminderde slaapbehoefte is zeer suggestief voor een episode met een verhoogde stemming, hoewel dit geen verplicht symptoom is. Een episode van verhoogde stemming kan worden getriggerd door stressoren die ofwel positief (bijvoorbeeld een promotie, een nieuwe liefdesrelatie) of negatief zijn (bijvoorbeeld eisen die aan iemands functioneren worden gesteld, een verbroken relatie). Een manische of hypomanische episode met gemengde kenmerken kan door sommige mensen worden opgevat als depressiviteit. Het is lastiger om een episode die in het verleden ligt vast te stellen dan een actuele episode, omdat veel patiënten deze niet herkennen. Hetzelfde geldt voor een episode met prikkelbaarheid versus met euforie; met gemengde kenmerken versus zonder; en een hypomanische versus een manische episode.
Depressieve episoden treden altijd op bij de bipolaire-II-stoornis en de unipolaire depressieve stoornis en komen zeer vaak voor bij de bipolaire-I-stoornis, maar daar zijn ze niet verplicht. Het kan bijzonder lastig zijn om voorafgaande (en zelfs actuele) depressieve episoden met gemengde kenmerken (die kunnen optreden bij bipolaire-stemmingsstoornissen en de unipolaire depressieve stoornis) te onderscheiden van hypomanische episoden (die kunnen optreden bij bipolaire-stemmingsstoornissen, maar niet bij de unipolaire depressieve stoornis).
Het opnemen van een heteroanamnese komt de nauwkeurigheid van de classificatiekeuze zeer ten goede, vooral door na te gaan of er manische of hypomanische episoden zijn geweest en in hoeverre er symptomen van verhoogde stemming zijn tijdens depressieve episoden.
Het kan lastig zijn te differentiëren tussen episoden met een verhoogde stemming die samenhangen met de bipolaire-I-stoornis of de bipolaire-II-stoornis enerzijds, en soortgelijke episoden die worden veroorzaakt door antidepressiva of drugs anderzijds. Een bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie ontstaat doorgaans binnen drie maanden na het eerste gebruik van een middel of medicatie of een verhoging van de dosis, en verdwijnt meestal zodra de fysiologische effecten van het betreffende (genees)middel na staking ervan zijn uitgewerkt.
Wanneer er veelvoorkomende comorbide stoornissen aanwezig zijn, zoals een angststoornis, stoornis in het gebruik van een middel, persoonlijkheidsstoornis, eetstoornis of disruptieve gedragsstoornis van de kindertijd (bijvoorbeeld ADHD, de oppositionele-opstandige stoornis of de normoverschrijdend-gedragsstoornis), kan dit het moeilijk maken voor zowel clinici als patiënten en hun verwanten om episoden van een verhoogde stemming te herkennen.
Over suïcidaliteit wordt in de DSM-5 het volgende gesteld: ‘Het levenslange risico op suïcide is voor mensen met een bipolaire stoornis naar schatting vijftienmaal hoger dan voor de algemene bevolking. Het is zelfs zo dat een kwart van alle voltooide suïcides door een bipolaire stoornis kan worden verklaard’ (Handboek, p. 214). […] ‘Ongeveer een derde van alle mensen met een bipolaire-II-stoornis meldt ooit in hun leven een suïcidepoging te hebben gedaan’ (p. 223). […] ‘Een voorgeschiedenis met suïcidepogingen en het relatieve aantal dagen waarin iemand in het voorgaande jaar depressief is geweest, zijn gerelateerd aan een toegenomen risico op een suïcidepoging of suïcide’ (p. 214).