Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Een 32-jarige man meldt zich in de spreekkamer van de clinicus met als voornaamste klacht somberheid. Hij is verdrietig en boos omdat hij zes maanden geleden zijn baan is kwijtgeraakt. Hij is nooit getrouwd geweest en woont bij zijn ouders. Tijdens het gesprek meldt hij dat hij sinds hij de middelbare school heeft verlaten het slachtoffer is geweest van ‘onbekende krachten’. Deze krachten zijn kwaadaardig en weerhouden hem ervan goed te presteren op zijn werk of een vrouw te vinden. Hij heeft zware, verduisterende rolgordijnen gekocht voor zijn slaapkamer, zodat deze krachten ‘hem niet kunnen bespioneren’. De man zegt desgevraagd dat hij geen alcohol of andere middelen gebruikt en hij beschouwt zichzelf als zeer religieus en toegewijd. Hij is onlangs bij zijn huisarts geweest voor een jaarlijkse controle en heeft, afgezien van een verhoogd cholesterol, geen actieve somatische problemen. Zijn ouders zijn meegekomen naar de afspraak met de psychiater en bevestigen in grote lijnen zijn verhaal. Ze waren zich ervan bewust dat hij depressief was, maar zijn verbaasd over ‘de krachten’. Ze hadden aangenomen dat hij de verduisterende rolgordijnen op zijn ramen had bevestigd zodat hij beter kon slapen. Zijn vader vertelt dat de oudere broer van de patiënt vroeger een ‘wilde jongen’ was die meerdere malen van huis is weggelopen. Uiteindelijk werd de broer in het ziekenhuis opgenomen voor een ‘zenuwinzinking’, maar de vader kende daar niet precies de details van.
Deze man vormt een lastige diagnostische uitdaging voor de clinicus. Een mogelijke manier om de nodige informatie te verkrijgen om te kunnen vaststellen of er sprake is van een schizoaffectieve stoornis is door te beginnen met de klacht die de patiënt presenteert: in dit geval depressiviteit. De clinicus kan zeggen: ‘Een depressie kan voor verschillende mensen verschillende dingen betekenen. Kunt u uw depressie voor mij beschrijven?’ Het is mogelijk dat de patiënt een klassieke beschrijving van de depressieve stoornis geeft, maar een depressie kan ook betekenen dat iemand zich vlak of gevoelloos voelt. Dat laatste moet een sterk vermoeden van negatieve symptomen van schizofrenie oproepen. Ervan uitgaande dat deze man veel symptomen van de depressieve stoornis beschrijft, is het vervolgens nuttig om in kaart te brengen hoelang elke episode heeft geduurd en hoeveel episoden er in totaal zijn geweest. Als de patiënt het niet zeker weet, vraag dan of hij of zij zich de slechtste episode kan herinneren, of een episode waarin hij of zij ofwel suïcidale gedachten had of was opgenomen. De clinicus moet in het hoofd (of zelfs op papier) bij benadering schetsen hoelang de patiënt een stemmingsprobleem heeft gehad. Deze duur is essentieel voor een correcte vaststelling van de aanwezige stoornis.
De man in deze casus heeft geen duidelijke voorgeschiedenis met een manische episode. Soms is deze voorgeschiedenis te achterhalen door op de argwaan van de patiënt in te gaan: ‘Is er iets bijzonders aan de hand met u wat kan verklaren waarom iemand u wil bespioneren en u ervan wil weerhouden succesvol te zijn?’ Deze vraag kan symptomen van grandiositeit aan het licht brengen, die dieper kunnen worden onderzocht op manische perioden.
Vervolgens moeten de mogelijke symptomen van criterium A voor schizofrenie nader worden onderzocht. Deze man beschrijft paranoïde gedachten, dus een volgende vraag zou kunnen zijn of hij deze krachten ooit hoort of ziet. Zijn spraak lijkt georganiseerd, maar als hij meer vrijuit gaat spreken kan enige desorganisatie blijken. Nauwkeurige observatie van zijn bewegingen brengt mogelijk enkele afwijkingen aan het licht, en een gesprek met hem en zijn verwanten kan negatieve symptomen achterhalen. Ten slotte is het cruciaal dat wordt bevestigd dat zijn argwaan en andere symptomen van criterium A ook optreden in afwezigheid van een stemmingsstoornis. Door hem te vragen: ‘Vallen deze krachten u lastig, zelfs wanneer u denkt dat uw stemming vrij goed is?’ kan helpen om te bepalen of er een periode is geweest waarin de symptomen uit criterium A zijn opgetreden zonder de bijkomende stemmingsstoornis. Een handige formule om te onthouden is: > 50% stemmingsstoornis + ≥ 2 weken alleen symptomen uit criterium A = schizoaffectieve stoornis.