Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
De DSM-5 beschrijft de essentie van de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis als ‘een pervasief patroon van sociale en interpersoonlijke deficiënties, gekenmerkt door een direct gevoeld ongemak bij en een verminderd vermogen tot het hebben van hechte relaties, en door cognitieve en perceptuele distorsies en excentriciteit in het gedrag, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten’ (Handboek, p. 861). Een clinicus moet in eerste instantie bepalen dat iemand voldoet aan de algemene definitie van een persoonlijkheidsstoornis (zie de paragraaf ‘Algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis’ eerder in dit hoofdstuk en in de DSM-5), en vervolgens dat de betrokkene voldoet aan vijf van de negen beschreven criteria voor deze specifieke persoonlijkheidsstoornis. Iemand met een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis komt meestal over als vreemd en excentriek en heeft een beperkt sociaal netwerk.
Voordat een persoonlijkheidsstoornis wordt vastgesteld, moeten andere aandoeningen worden overwogen. Het prodroom van schizofrenie kan bijvoorbeeld heel sterk lijken op een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis, maar een prodroom moet te onderscheiden zijn van deze laatste stoornis door middel van het tijdsverloop en de evolutie ervan richting een primaire psychotische stoornis.
Mensen met deze stoornis hoeven zich niet bewust te zijn van het pathologische karakter van hun symptomen. Als ze al hulp zoeken bij de ggz, melden ze zich vaak met depressiviteit, angst of nog iets anders dan trekken van de persoonlijkheidsstoornis. De clinicus zal de kenmerkende symptomen moeten achterhalen door een stijl van vragen stellen die deze patronen blootlegt.
Het is heel nuttig om te proberen een longitudinaal beeld te krijgen van de geschiedenis, en ook aanvullende informatie in te winnen bij andere mensen die betrokken zijn bij het leven van de patiënt (bijvoorbeeld vrienden of familieleden).
Gezien het gebrek aan inzicht in de symptomen van de patiënt helpt het vaak om achtergrondinformatie over de voorgeschiedenis te vragen aan gezinsleden. Om duidelijkheid te krijgen over het duurzame karakter van de stoornis is het vaak noodzakelijk om iemand meerdere malen te zien. Aanvullende informatie van vrienden en familie kan duidelijkheid bieden over de aanwezigheid van het patroon in meerdere omstandigheden en kan helpen om de stoornis te herleiden tot de adolescentie.