Persoonlijkheidsstoornissen

  • Andere mensen laten mij altijd in de steek.
  • Ik kan pas iets anders doen als mijn keuken perfect schoon is.

Mensen met per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen hebben duurzame maladaptieve patronen in hun denken, gedrag, reacties en innerlijke ervaringen, die in allerlei verschillende sociale situaties de kop opsteken en in hun leven tot ernstige beperkingen leiden. Hun vermogen tot ‘liefhebben en werken’ is aangetast en ze lijden vaak ernstig onder hun problemen. Ook de mensen om hen heen lijden onder het disruptieve, negatieve of schadelijke gedrag van de persoon met een per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zijn per definitie niet episodisch; het duurzame karakter ervan vormt de sleutel tot deze categorie stoornissen.

Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zijn zeker niet zeldzaam, en sommige hebben een hogere prevalentie bij mannen terwijl andere meer bij vrouwen voorkomen. De aanwezigheid van bijkomende angst- of stem­mings­stoor­nis­sen of mid­del­ge­re­la­teer­de aandoeningen, en van aanzienlijke psychosociale problemen, wordt in de klinische praktijk eerder als regel dan bij uitzondering gezien. Dat alles bij elkaar maakt dat de klinische zorg voor mensen met een per­soon­lijk­heids­stoor­nis bijzonder lastig kan zijn en een enorme toewijding, compassie en tolerantie voor complexiteit vergt van de ggz-professionals die deze taak op zich nemen.

Voor degenen die hun kennis over per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen willen vergroten, is het nuttig eerst een globaal overzicht te krijgen van deze categorie stoornissen in brede zin en zich pas daarna te verdiepen in de specifieke criteria van de tien afzonderlijke per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen in de DSM-5. De oplettende lezer zal merken dat de DSM-IV-TR-criteria zonder wijzigingen zijn overgenomen in deel II van de DSM-5. Toch is er interessant we­ten­schap­pe­lijk onderzoek — op de terreinen temperament en per­soon­lijk­heids­struc­tuur bijvoorbeeld — en zijn er internationale vergelijkende studies die doen vermoeden dat toekomstige edities van de DSM nieuwe concepten en criteria voor per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zullen bevatten. Op het denken hierover zoals zich dat momenteel ontvouwt, wordt uitgebreider stilgestaan in deel III van de DSM-5, in het hoofdstuk ‘Alternatief DSM-5-model voor per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen’. In dat hoofdstuk wordt gekeken naar nieuwe benaderingen om tegen per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen aan te kijken, en wordt dieper ingegaan op de gebieden van disfunctioneren die vaak worden gezien bij de persoonlijkheid. Verder bevat dit hoofdstuk een voorstel voor een be­oor­de­lings­schaal voor het functioneren van de persoonlijkheid. De geïnteresseerde lezer wordt zeker aangeraden om dit hoofdstuk in de DSM-5 te lezen.

Algemene criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis

Alvorens te overwegen aan iemand een classificatie van een specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis toe te wijzen, moet aan de criteria voor de aanwezigheid van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis in algemene zin worden voldaan. Veel negatieve per­soon­lijk­heids­trek­ken kunnen worden aangetroffen bij mensen die nooit voldoen aan de algemene criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis en niet in aanmerking komen voor een classificatie van een specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis (bijvoorbeeld borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis of afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis). Bij deze groep komen de maladaptieve per­soon­lijk­heids­trek­ken misschien geïsoleerd voor, zonder de andere kenmerken, of alleen in specifieke omstandigheden, en zijn dan geen aanleiding tot het vaststellen van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

In essentie geldt dat om aan de criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis te voldoen, iemands maladaptieve patronen van gedrag en ervaringen eigenlijk een ‘vast’ onderdeel van zijn of haar persoonlijkheid moeten zijn. In zekere zin moeten deze trekken bij hem of haar ‘ingebakken’ zitten als een aspect van de manier waarop hij of zij allerlei situaties ervaart en zich erin gedraagt. Voor ggz-professionals met nog weinig praktische ervaring kan dat lastig te begrijpen zijn, bijvoorbeeld als de per­soon­lijk­heids­trek oppervlakkig bezien episodisch lijkt (bijvoorbeeld wanneer de betrokkene emotioneel labiel is en disruptief gedrag vertoont), maar in werkelijkheid behoorlijk consistent is door de tijd heen en in alle soorten situaties. Deze consistentie is een essentieel kenmerk van deze categorie stoornissen. Het duurzame en pervasieve karakter van de per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen is de reden dat de DSM-5 vermeldt dat dit soort aandoeningen in uiteenlopende omstandigheden en meerdere gebieden van het functioneren tot uiting komt, langdurig aanwezig is en dat het begin ervan kan worden herleid tot de adolescentie of jongvolwassen leeftijd. Het is mogelijk dat een patiënt voldoet aan de volledige DSM-5-critera voor meer dan één per­soon­lijk­heids­stoor­nis en dan van elk van die per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen een classificatie krijgt toegewezen, als inderdaad volledig aan de criteria wordt voldaan.

Het vaststellen van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt vaak uitgesteld tot na de leeftijd van 18 jaar, omdat de clinicus de betreffende ervaringen en gedragingen moet aantreffen bij een volwassen persoonlijkheid, en niet bij één die nog in ontwikkeling is. Maar als de symptomen al langer dan een jaar duidelijk aanwezig zijn, kan het wel terecht zijn om al voor het 18de jaar de aanwezigheid van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis vast te stellen. De enige uitzondering hierop is de antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, die niet kan worden vastgesteld bij iemand die jonger is dan 18 jaar. Verder is het van belang te noemen dat het toewijzen van de classificatie van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis niet nood­za­ke­lij­ker­wijs betekent dat de stoornis ook levenslang aanwezig blijft. Patiënten die voldoen aan de criteria van een of meer per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen kunnen zich ontwikkelen en vervolgens in een andere fase van hun leven niet langer voldoen aan de criteria.

Per­soon­lijk­heids­trek­ken worden in de DSM-5 gedefinieerd als ‘duurzame patronen van het waarnemen van, omgaan met en denken over de omgeving en zichzelf, die in een breed scala van sociale en persoonlijke contexten worden getoond’ (Handboek, p. 849). Per­soon­lijk­heids­trek­ken die maladaptief en inflexibel zijn vormen de patronen die samenhangen met bepaalde per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen. Er zijn in de DSM-5 tien specifieke constellaties van maladaptieve per­soon­lijk­heids­trek­ken opgenomen die een gedefinieerde per­soon­lijk­heids­stoor­nis vormen (Handboek, p. 847):

Een paranoïde-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van wantrouwen en achterdocht waardoor de motieven van anderen als kwaadwillend worden geïnterpreteerd.

Een schizoïde-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van af­stan­de­lijk­heid in sociale relaties en een beperkt scala van emotionele expressies.

Een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van direct gevoeld ongemak in intieme relaties, met cognitieve of perceptuele distorsies en excentriek gedrag.

Een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van een gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen.

Een borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van instabiliteit in de in­ter­per­soon­lij­ke relaties, van het zelfbeeld en van het affect, en duidelijke impulsiviteit.

Een histrionische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van excessieve emotionaliteit en aandacht vragen.

Een narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van grandiositeit, behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie.

Een vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van sociale geremdheid, gevoelens van tekortschieten en hy­per­sen­si­ti­vi­teit voor een negatief oordeel.

Een afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van onderdanig en aanklampend gedrag dat samenhangt met een excessieve behoefte om te worden verzorgd.

Een dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis betreft een patroon van gepreoccupeerd bezig zijn met ordelijkheid, perfectionisme en controle.

De specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen worden op basis van onderlinge overeenkomsten vaak ingedeeld in drie verschillende ‘clusters’:

Cluster A-per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zijn die stoornissen die worden gekenmerkt door vreemde overtuigingen en excentriek gedrag. Cluster A omvat de paranoïde-, schizoïde- en schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Cluster B-per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zijn die stoornissen die worden gekenmerkt door grillig en dramatisch gedrag en emotionele instabiliteit. Cluster B omvat de antisociale-, histrionische- en narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Cluster C-per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zijn die stoornissen die worden gekenmerkt door angst en een op angst gebaseerd verlangen naar controle. Cluster C omvat de vermijdende-, afhankelijke- en dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Overlap tussen per­soon­lijk­heids­trek­ken binnen een cluster is niet ongewoon. Iemand die het hele pakket van trekken vertoont die passen bij een bor­der­li­ne­per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan daarnaast bijvoorbeeld ook enkele trekken hebben die bij de histrionische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis worden gezien. De clusters kunnen clinici helpen bij het groeperen van vergelijkbare klinische beelden van per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen.

Een laatste subcategorie ten slotte wordt ‘overige per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen’ genoemd en omvat de per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening, een aanhoudende verstoring van de persoonlijkheid die wordt beschouwd als het gevolg van een somatische aandoening. De subcategorie ‘overige per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen’ bevat verder nog de classificaties andere gespecificeerde per­soon­lijk­heids­stoor­nis en on­ge­spe­ci­fi­ceer­de per­soon­lijk­heids­stoor­nis, die worden gebruikt voor gevallen waarin wel wordt voldaan aan de definitie voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis, maar niet volledig aan de criteria voor een specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Het kan moeilijk zijn om per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen te onderscheiden van andere psychische aandoeningen, de fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening, maar dit moet wel gebeuren voordat een per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan worden vastgesteld. Het kan moeilijk zijn om te achterhalen of een andere factor of reeks factoren de ervaringen en het gedrag verklaren die ogenschijnlijk doen denken aan een ‘per­soon­lijk­heids­stoor­nis’, omdat patiënten vaak worden gezien met meerdere aandoeningen en toestanden die in het totaalbeeld meegewogen moeten worden.

Mensen met een per­soon­lijk­heids­stoor­nis worden vaak als een bijzonder moeilijke pa­ti­ën­ten­po­pu­la­tie beschouwd, omdat ze bij de mensen om hen heen sterke emotionele reacties oproepen — en zorg­pro­fes­si­o­nals vormen geen uitzondering op dit patroon. Mensen met zo’n stoornis begrijpen niet altijd dat hun per­soon­lijk­heids­trek­ken pathologisch zijn, zelfs als die hun welzijn en effectiviteit in belangrijke levensgebieden toch duidelijk aantasten. Paradoxaal genoeg kunnen mensen met een per­soon­lijk­heids­stoor­nis in sommige van hun maat­schap­pe­lij­ke activiteiten wel succesvol zijn, en als dit het geval is kan het moeilijker zijn om de stoornis vast te stellen. Door het vermogen nauwkeurig vast te stellen of er sprake is van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis — en vervolgens leren om ‘therapeutisch’ in plaats van ‘reactief’ op deze patiënten te reageren — kenmerkt zich de clinicus die groeit in ervaring en levenswijsheid en gedegen werk verricht.

Dit hoofdstuk gaat in op de volgende vier van de tien specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen in de DSM-5: de borderline-, dwangmatige-, schizotypische- en narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Voor elk van deze stoornissen geldt dat ze moeten worden bezien binnen de bredere context van de DSM-5-criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis in het algemeen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.