Narcistische-persoonlijkheidsstoornis
De heer Klein, een gepensioneerde voormalige zakenman van 68 jaar, komt op het spreekuur van zijn huisarts vanwege zorgen over interpersoonlijke conflicten. Hij wil een ggz-professional raadplegen om meer te weten te komen over de pathologie in zijn familie en erachter te komen waarom zij hem niet behandelen zoals hij vindt dat zou moeten gebeuren. Hij heeft het gevoel dat hij onterecht van zijn kinderen vervreemd is geraakt. Hij is twee keer gescheiden en beschrijft zijn ex-echtgenotes als ‘meisjes die te simpel waren om mij op waarde te kunnen schatten’. In de loop der tijd is hij vervreemd geraakt van zijn dochters en kleinkinderen omdat ‘zij me als we bij elkaar op bezoek zijn niet het respect geven dat ik verdien’.
Doorvragen over zijn levensgeschiedenis maakt een patroon duidelijk van grandiositeit en een excessieve behoefte aan bewondering. De heer Klein vertelt stoere verhalen over zijn zakelijke avonturen en laat de namen van Neelie Kroes en Joop van den Ende vallen alsof het goede vrienden van hem zijn. Hij praat de hele tijd over wat hij allemaal heeft bereikt in het zakenleven en zijn sociale contacten. Hij toont een gebrek aan empathie voor mensen die ‘onder’ hem staan en identificeert zich sterk met beroemde zakenmensen. Uit het gesprek wordt niet duidelijk hoe succesvol hij precies was in zijn carrière. Wel wordt duidelijk dat hij vaak conflicten had met leidinggevenden, en dat zijn mogelijkheden om hogerop te komen hierdoor werden beperkt. Hij beweert dat zijn bazen ‘altijd jaloers waren’ op zijn talent en hem nooit ‘vooruit lieten komen’.
De heer Klein beschrijft het actuele probleem tussen hemzelf en zijn familie als de conflictbron die hem prikkelbaar maakt. Hij weigert tijd met zijn dochters en kleinkinderen door te brengen omdat zij hem niet het ‘respect tonen dat ik verdien’. Wat hem vooral ergert is dat hij altijd maar geacht werd bij zijn dochters op bezoek te komen. ‘Ze moeten maar bij mij in mijn stulpje op bezoek komen.’ Daarom heeft hij aangekondigd niet meer naar het huis van iemand anders te zullen gaan. Hij heeft zijn dochters en kleinkinderen nu drie jaar niet gezien.
Hij wordt wel uitgenodigd voor feestdagen en de verjaardagen van de kinderen, maar weigert te komen zolang zij niet eerst bij hem op bezoek komen. De heer Klein zegt: ‘Als ze me willen zien, weten ze wat hun te doen staat.’
De heer Klein voldoet aan de algemene DSM-5-criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, en daarnaast ook aan specifieke classificatiecriteria voor een narcistischepersoonlijkheidsstoornis. In het zakenleven kan een gevoel van zelfvertrouwen wel nuttig zijn, maar het in deze casus waargenomen patroon van grandiositeit leidt niet tot succes in zaken of het gezinsleven. Zijn rigide regels rond verwachtingen over hoe de heer Klein behandeld en gerespecteerd dient te worden, zijn maladaptief gebleken voor het bereiken van de door hem gewenste doelen. Bovendien bestaat de indruk dat andere betrokkenen uit het leven van deze man een heel andere kijk op het verhaal hebben.