Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis
De heer Hogetoon, een man van 37 jaar, komt samen met zijn vrouw bij een ggz-clinicus voor onderzoek in verband met problemen op zijn werk. Hij zegt dat hij zelf vindt dat het ‘prima’ met hem gaat, maar dat zijn baas — en zijn vrouw, zo geeft hij schoorvoetend toe — problemen hebben met zijn ‘netheid’. Op zijn werk is de heer Hogetoon kansen op een betere functie misgelopen omdat hij moeite heeft taken af te krijgen, ondanks dat hij ‘de meest consciëntieuze medewerker’ van het bedrijf is. Zijn vrouw noemt hem een controlfreak.
De houding van zijn baas naar hem toe verbaast hem. De heer Hogetoon zegt: ‘Ik ben een echte perfectionist. Je zou toch denken dat een leidinggevende dat fijn vindt!’ Patiënt is inflexibel in zaken van moraliteit en ethiek. Hij uit zijn meningen vaak aan zijn collega’s, omdat die volgens hem, zo zegt hij, vaak ‘vaag’ zijn als het gaat om de basisbeginselen van ‘goed en kwaad’.
Tijdens het gesprek met het echtpaar blijkt dat de heer Hogetoon erg toegewijd is aan zijn werk en dat dit ten koste gaat van vrijetijdsbesteding en zijn gezin. Hij is erg kritisch over het onvermogen van zijn vrouw om te voldoen aan zijn standaard van netheid. Als hij thuiskomt van zijn werk doet hij schoonmaakkarweitjes in huis die zijn vrouw eerder die dag al heeft gedaan nog eens over. Hij houdt hun financiële budget scherp in de gaten en heeft geprobeerd om de uitgaven van zijn vrouw te beperken. Hij zegt dat hij zeker wil zijn dat ze wat geld opzijzetten voor ‘toekomstige noodgevallen’.
Hij vertelt dat hij zich altijd al graag aan de regels heeft gehouden, ‘zelfs als kind’. Hij herinnert zich dat hij als klein jongetje driftbuien kreeg als iemand anders aan tafel op zijn plek ging zitten. Op de middelbare school was hij impopulair omdat hij andere leerlingen die ‘te laat’ waren vaak verklikte. Het feit dat hij overdreven belang hecht aan de regels leidt al vanaf heel jonge leeftijd tot conflicten in veel sociale situaties.
Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis beschouwen hun persoonlijkheidstrekken zelf niet als maladaptief. Zoals ook uit deze casus naar voren komt, beschouwen ze hun symptomen juist als sterke kanten van zichzelf, ondanks het maladaptieve karakter ervan en de conflicten en het disfunctioneren als gevolg ervan. De clinicus die de gedragspatronen koppelt aan de criteria voor deze stoornis dient de ervaringen en het gedrag van de patiënt dan ook zorgvuldig te beoordelen en interpreteren. De heer Hogetoon beschrijft zijn gedrag als ‘consciëntieus’, ‘perfectionistisch’ en ‘netjes’, maar onthult tevens het problematische karakter ervan en beschrijft tot welk onvermogen en moeizaam functioneren op allerlei gebied dat gedrag leidt. De heer Hogetoon voldoet aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis en daarnaast aan minstens vier van de acht criteria voor een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis.